Dreiging met dwang door NZa bij pilots nieuw bekostigingsmodel GGZ en privacy-probleem

dwangVoor de bekostiging van de Geestelijke GezondheidsZorg(GGZ) is men vanaf 2015 bezig om tot een andere grondslag te komen. Het nieuw gekozen systeem berust op het zogenaamde zorgclustermodel dat uit het Verenigd Koninkrijk is komen overwaaien. In 2016 is een eerste versie ontwikkeld onder auspiciën van de Nederlandse Zorgautoriteit(NZa), waarna door middel van pilotbijeenkomsten behandelaren uit diverse domeinen in de GGZ en de forensische zorg het model getoetst werd aan de hand van eigen casuïstiek. Het nieuwe bekostigingsmodel leunt zwaar op het gebruik van ICT. 2017 is het jaar geworden van veldtesten van het model in de vorm van pilots, fase 2 van de doorontwikkeling. Instellingen en vrijgevestigde therapeuten konden zich opgeven bij de NZA. Naar nu blijkt is het animo ervoor blijkbaar, op zijn zachtst gezegd, niet optimaal. Leden van de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen en Psychotherapeuten(LVVP) kregen van hun directeur  Judith Veenendaal zeer recent te horen dat als er onvoldoende aanmeldingen zijn voor de pilots de NZa zorgaanbieders aan gaat wijzen om deel te nemen. Dit dreigement van de NZa is door de NVVP-directeur weer als een cadeautje verpakt met de met veel PR-saus overgoten woorden: “ Grijp uw kans en werk aan de toekomst”.  Grote woorden, maar men helpt echter vooral administratieve problemen op een hoger niveau oplossen. De pilots zorgen voor meer administratieve belasting, omdat naast de data volgens de nieuwe systematiek ook de bestaande data zoals de dbc’s opgestuurd moeten worden naar de NZa.

Zorgclustermodel

Bij het nieuwe bekostigingsmodel gaat men uit van het zogenaamde “Engelse model”. In het Verenigd Koninkrijk is dit stelsel bedacht. De huidige financiering van de GGZ leunt sterk op de diagnose-behandel-combinaties(DBC’s). Daarbij wordt gebruik gemaakt van de diagnose-indeling van de Amerikaanse DSM(Descriptive and Statistical Manual of Mental  Disorders). De zorgvraag van de patiënt was niet per definitie het uitgangspunt. De zorgvraagzwaarte van patiënten met een diagnose is in het bestaande model onvoldoende in beeld en het honoreren op basis van behandelminuten een probleem. Zozeer dat creatief declareren mogelijk werd als men ervoor kon zorgen net in een hogere tarieftranche te vallen. Het nieuwe systeem heeft een indeling in 3 hoofdclusters die bij elkaar 21 zorgclusters omvatten. De indeling vindt plaats op basis van de ernst van de problematiek, de symptomen en complicaties. Om de indeling te kunnen maken is een webapplicatie gemaakt, de zogenaamde  zorgclustertool. Daarin moeten de data van de bestaande en de nieuwe systematiek ingevuld worden. Binnen de zorgclustertool is dan ook weer een instrument ontwikkeld om tot een goede indeling in de zorgclusters te komen: het Zorgcluster Toeleidings Instrument. Dat wordt dan weer tot ZTI afgekort, een uit de V.S. overgenomen onhebbelijkheid om acroniemen te gebruiken. Voor een beter begrip zie hier voor de beschrijving van het model, de achtergrond en instructie en het fact-sheet.

ICT

Zoals gezegd leunt het hele zorgclustermodel, maar ook de pilots zeer fors op ICT-toepassingen. Voor de pilots zijn een groot aantal leveranciers van praktijksoftware betrokken. Dat zijn o.a. Datamedicare, Evry, Careweb, ManagewarePro, Medicore, Praktijkdata, VCD, Zilos, Medikad, ChipSoft, Impulse, Nedercare, Nexus, Pinkroccade en Trompbx. En dat zijn ze nog niet eens allemaal. Deelnemers aan de pilots krijgen financiële ondersteuning van de NZa en extra ondersteuning door hun leveranciers waaraan ongetwijfeld de NZa ook bijdraagt . Vrij recent zijn daar de bedragen van opgehoogd.

ROM-gegevens

Het zorgclustermodel blijkt net als het bestaande fors te leunen op het gebruik van ROM-data. Het verplicht moeten aanleveren van die data door zorgaanbieders, terwijl de patiënt niet of nauwelijks ingelicht is en veelal geen toestemming heeft gegeven, staat nu erg in de belangstelling. In een rapport van de Algemene Rekenkamer werd gehakt gemaakt van het gebruik van ROM-data voor benchmarking en zorginkoop. De Rekenkamer gaf ook aan dat het nieuwe model tot haar teleurstelling ook weer gebruik maakt van ROM-gegevens.

Pilots

Bij het uitvoeren van de pilots die nu plaats vinden is de NZa opeens op een probleem gestuit omdat er privacy-problemen ontstonden vanwege door zorgaanbieders opgestuurde informatie. Deelnemers dienen nogal wat data op te sturen. Dat zijn naast de gegevens die geregistreerd zijn met de zogenaamde HONOS+-lijsten ook de productie gegevens. Het gaat in beide gevallen om een flinke hoeveelheid informatie. Naast werk wat al af en gerubriceerd en gecodeerd was,  moeten ook data van zogenaamd “OnderHanden Werk(OHW)” opgestuurd worden naar de NZa. Bij OHW gaat het om openstaande zorgproducten waarvoor nog geen tarief in rekening is gebracht, dus nog niet gedeclareerde casussen. Bij het OHW dat de NZa kreeg bleek de NZa meer informatie te krijgen dan strikt noodzakelijk. Enkele ICT-leveranciers van zorgaanbieders gaven namelijk aan graag het OHW voor alle patiënten van een zorgaanbieder  in één keer aan te leveren en niet alleen de bij de pilot betrokkenen. De NZa kon dan zelf de selectie maken van de patiënten waarbij zorgclusters geregistreerd waren en de rest vernietigen. Uiteraard is dat een zeer vreemde gang van zaken omdat van meer personen dan strikt noodzakelijk data worden vergaard. Tot mijn grote verbazing wilde de NZa er aanvankelijk wel in mee gaan om het aanleveren van data  te vergemakkelijken.

Ommedraai

Na van twee zorgaanbieders ongefilterde informatie gekregen te hebben besefte de NZa dat het zo toch niet kon. Men heeft toen per email aan de deelnemers laten weten dat ze geen onderhanden werk meer accepteert van patiënten die niet meelopen in de pilot. De NZa heeft de onterecht vergaarde data naar eigen zeggen inmiddels vernietigd.

Herleidbaarheid

Waarschijnlijk wakker geworden door de discussie over de indirecte herleidbaarheid van gegeven tot individuen bij ROM-data-verwerking en het onderzoek dat de Autoriteit Persoonsgegevens doet bij de Stichting Benchmark GGZ, heeft de NZa kenbaar gemaakt dat ze alle verkregen gegevens behandelt volgens de eisen die horen bij medische persoonsgegevens. De NZa stelt terecht dat niet uit te sluiten is dat de aangeleverde gegevens herleidbaar kunnen zijn naar een individu.

Tot slot

Uit het bovenstaande moge blijken dat een nieuw bekostigingsmodel voor de GGZ in de maak is waarbij de voorbereidingen grote inspanningen vergen van de toch al zwaar belaste deelnemers. Dat beseffen deze maar al te goed waardoor het enthousiasme laag is en nu na de wortel de stok dreigt. De pilots zijn gigantische operaties met daarbij risico’s rond het verzamelen, beheren en bewerken van data die als medische persoonsgegevens te beschouwen zijn. Onbegrijpelijk is het in mijn ogen dat de NZa kortdurend bewust het aanleveren van meer data dan noodzakelijk was toegestaan heeft.

En nog even dit. Welingelichte bronnen binnen de GGZ hebben mij laten weten dat het “Engelse” bekostigingsmodel inmiddels door de Engelsen zelf al verlaten zou zijn. Het wordt toegelicht in een publicatie in Beta-prikkel 6, 2017 van Broekman en Schippers(zie vooral  pagina 9: De praktijk in Engeland.

W. J. Jongejan




Zeer discutabele constructie om ziekenhuisapotheek LSP te laten bevragen tbv specialisten

BehandelteamIn het St. Jansdal ziekenhuis in Harderwijk is een zeer discutabele constructie opgezet om het voor meerdere specialisten mogelijk te maken dat de ziekenhuisapotheek medicatieoverzichten van patiënten opvraagt via het Landelijk SchakelPunt(LSP). Omdat het opvragen van medicatieoverzichten tijdens het spreekuurbezoek bij specialisten te lang duurt, niet altijd lukt en technische voorzieningen op elke specialisten-werkplek plus een UZI-pas in hun bezit vereist, heeft men een aparte constructie opgetuigt. Men probeert het probleem te omzeilen door het zogenaamde prefetchen onder een wel zeer bijzondere noemer. Prefetchen wil zeggen dat ruim voor polikliniekbezoek (twee tot vijfdagen) van de patiënten die het spreekuur van een specialist gaan bezoeken in één partij(batch-gewijs) de medicatiedata via het LSP worden opgevraagd. Administratief heeft men daarvoor een constructie bedacht waarin de apotheker tot lid van het behandelteam van alle patiënten is benoemd. Het is te lezen in het verslag van de vierde bijeenkomst LSP gebruik voor ziekenhuizen, die op 8 juni 2017 gehouden werd, dat door de Vereniging van Zorgaanbieders Voor  Zorgcommunicatie(VZVZ) georganiseerd was.

Eigen woorden
Wat staat in het voornoemde verslag van VZVZ:

“Alleen zorgverleners die een UZI-pas op naam hebben én een behandelrelatie met de patiënt hebben, kunnen medicatiegegevens opvragen. In het St. Jansdal vragen zowel de SEH-artsen als de ziekenhuisapotheek medicatiegegevens op. Met name de poliklinische afspraken zijn geschikt om batchgewijs medicatiegegevens op te vragen.Om dat mogelijk te maken wordt in het St. Jansdal de ziekenhuisapotheek toegevoegd aan het behandelteam van de patiënt.Twee tot maximaal vijf dagen voordat de patiënt op de poli komt worden de medicatiegegevens opgevraagd. Het belangrijkste nadeel van het batchgewijs opvragen is dat het best wel wat tijd kost. Daarom wordt dit gedaan met een stand-alone PC waarop los ingelogd kan worden met een UZI-pas.”

Behandelteam
Door administratief de ziekenhuisapotheker toe te voegen aan het “behandelteam” van alle patiënten, opgenomen dan wel poliklinische, denkt het ziekenhuis een modus gevonden te hebben die het prefetchen van medicatiegegevens via het het LSP zou rechtvaardige. Wat is eigenlijk het behandelteam? Normaliter verstaat men daaronder de artsen, verpleegkundigen en overig personeel die hands-on met de patiënt bezig zijn. Voor een opgenomen patiënt zijn dat de specialisten, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten etc. Ziekenhuisonderdelen, zoals de röntgenafdeling, het laboratorium en de ziekenhuisapotheek vallen onder de ondersteunende diensten en rekent men niet tot het behandelteam. Voor poliklinische patiënten is veelal de specialist de enige behandelaar en is niet altijd farmaceutische hulp door de ziekenhuisapotheker nodig. Deze tot het behandelteam rekenen is erg gekunsteld.

Wgbo
De (ziekenhuis)apotheek viel tot 2007 niet onder de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst. Vanaf dat jaar wel door een wijziging in de wet. Daarbij moet dan wel aangetekend worden dat de (ziekenhuis)apotheek een andersoortige behandelovereenkomst met de patiënt heeft vergeleken met de specialisten. De ziekenhuisapotheek heeft ook een ander registratiesysteem en heeft per definitie geen inzagerecht in het zorgdossier van de specialist. De specialist kan wel desgevraagd de ziekenhuisapotheker uitleg geven over de reden van het voorschrijven van medicatie. Vanuit het oogpunt van de Wgbo is het toevoegen van de ziekenhuisapotheker dan ook erg vreemd.

Nooit vers
Door het prefetchen van de medicatiegegevens twee tot vijf dagen voor het polibezoek zijn deze data per definitie nooit up-to-date. Het prefetchen doet de medewerker van de ziekenhuisapotheek op gezag van de apotheker op een stand-alone PC, omdat op die manier buiten het ziekenhuissysteem om gewerkt kan worden. Uit eerder door mij gepubliceerde data blijkt dat de netwerksoftware(vaak (Citrix) en het feit dat de ziekenhuisterminals thin clients zijn, vaak de goede werking van de voor LSP-bevraging noodzakelijke hard- en software in de weg staan.

Niet moeten willen
Eén van de kernmedewerkers van VZVZ, Marcel Settels, verzuchtte tijdens een leveranciersdag van VZVZ in oktober 2016 dat je eigenlijk prefetching niet zou moeten willen . Het essentiële van het LSP, de opzet om op elk moment actuele informatie via het LSP op te kunnen vragen wordt erdoor ondergraven. Los van deze opmerking moet ik zeggen dat de in het St. Jansdal ziekenhuis bedachte constructie er één van bedenkelijke aard is. Hij gaat in tegen de essentiële verschillen tussen de behandelovereenkomsten van een ziekenhuisapotheker met de patiënt en die van een specialist(arts). De specialist krijgt via een omweg medicatieoverzichten die hij zelf of zijn assistente niet heeft opgevraagd met een UZI-pas. Het komt over als een uitermate krampachtige poging om in ziekenhuizen toch met het LSP iets te doen om zodoende het bestaansrecht van het LSP te willen bevestigen.

W.J. Jongejan

 




Cynische keuze Google bij overname onnauwkeurige health-apps voor de massa

Apps

Recent verschenen een aantal berichten in de buitenlandse ( A en B), maar ook vaderlandse pers(C) dat Google SenosisHealth overgenomen had. Niet bekend is wat Google ervoor betaalde. Het is een Amerikaanse startup, waarin een drietal apps zijn ondergebracht, die diagnostische testen zouden doen. SenosisHealth is een bedrijf dat opgezet is door Shwetak Patel, hoogleraar in Computer Science and Engineering en Electrical Engineering aan de University of Washington in Seattle. Het is iemand met technisch inzicht die wat hij met zijn team bedenkt goed weet te vermarkten. Het gros van de bedachte uitvindingen zijn ondergebracht in UbiComp, de onderneming van het researchlaboratorium van Patel. Drie toepassingen, BiliCam, HemaApp en Spirocall waren ondergebracht in de startup SenosisHealth die Google dus overnam. Het zijn een drietal diagnostische testen die een smartphone gebruiken. Ze beogen respectievelijk bij de mens te meten: het bilirubinegehalte bij pasgeborenen, het haemoglobinegehalte en de longfunctie. De manier waarop deze apps werken is zodanig dat ze nimmer uitslagen geven met een zelfde nauwkeurigheid van een laboratorium. Dat blijkt ook uit de documenatie over de apps die voorhanden is. Het zijn op zijn hoogst zeer beperkte screeningsmethoden. De overname door Google wekt de indruk dat dit bedrijf inzet op inkomsten uit de toepassing van deze apps door de massa.

BiliCam
De app genaamd BiliCam werkt met behulp van de camera van een smartphone. Men dient een foto van de huid van de pasgeborene te maken met een kleurenreferentiekaart erbij. Door analyse van de huidskleur op de foto met een algoritme wordt dan het bilirubinegehalte vastgesteld. De correlatie met de gouden standaard, de in bloed gemeten waarde, is 0,85. Dat lijkt heel aardig maar voor het blindelings kunnen varen op de test is een  correlatie  van 1 nodig. De systematiek laat teveel fout-negatieve en fout-positieve uitslagen toe om betrouwbaar bij een te hoge waarde te kunnen beslissen tot therapie met blauwe lamp, dan wel wisseltransfusie. Dat om het bilirubinehehalte te doen dalen om geen hersenschade bij de pasgeborene te krijgen. Op zijn hoogst is de app een imperfecte screeningstool, maar dat is het Eyeball Mark One System, oftewel het blote oog ook.

Grotere bezwaren
De app is tot nu toe alleen uitgetest met de iPhone 4S. Niet elke smartphone heeft camera’s van dezelfde fabriek met dezelfde karakteristieken. Daarnaast realiseren de bedenkers zich ook dat op de wereld veel mensen rondlopen met een verschillende huidskleur waarvoor correctie nodig is. Ook de kleurenreferentiekaart is een probleem. Door blootstelling aan licht vervagen de kleuren. In het onderzoek naar de werking van de app werden de kleurenreferentiekaarten op dezelfde printer met dezelfde inktpatroon gemaakt. Bij wereldwijde verkoop van de app zal dat nooit het geval zijn.

HemaApp
Deze app maakt ook gebruik van de camera en het zoeklichtje van de smartphone. Door die tegen de vingertop te houden kan door absorptie van het licht een idee gekregen worden van het haemoglobine-gehalte. Daarbij bleek er een correlatie te zijn van 69 % met de labwaarde in bloed. Bij gebruik van een gloeilamp werd dat 74 %. Met een setje van speciale LED-lampjes op de smartphone nam dat toe tot 82% maar dat is nog steeds veel te weinig om qua betrouwbaarheid in de buurt te komen van een standaard labbepaling. Ook hier is er sprake van een onvolmaakte tool die op zij hoogst als screeningsinstrument beperkte waarde heeft.

SpiroCall
Met deze app wordt gebruik gemaakt van de microfoon van een smartphone. De gebruiker dient te diep te in te ademen en zo krachtig en lang mogelijk uit te ademen. De opname die de gebruiker zo maakt moet naar de server van de makers van de app gestuurd worden waar een algoritme er een soort flow-curve van maakt. Het behoeft geen betoog dat deze methodiek niet die nauwkeurigheid heeft als de gouden standaard, te weten de bepaling met een echte flow-meter. Al was het alleen maar dat elke gebruiker de smartphone niet even ver van de mond houdt en niet elke smartphone dezelfde hardware aan boord heeft om het geluid op te nemen. De makers weten dat ook. Ze krikken de betrouwbaarheid op door de patiënt gebruik te laten maken van een 3-D-geprint fluitje. Ook dit is dus weer een beperkte screeningstool met boven de noodzaak van dataverzending naar een centrale computer. Bij veldtesten in India en Bangladesh ontdekte men dat het bezit van smartphones niet dik gezaaid was, wat de inzet beperkte.

Verkoop
Het heeft er alle schijn van dat Google deze apps opkocht om zich een grotere plaats te verwerven op de markt van de zogenaamde Health-apps. Bij het op de markt brengen van dit soort apps die op een indirecte wijze bepalingen doen waar nogal wat van af kan hangen, koopt het publiek iets dat een betrouwbaarheid suggereert die er niet. De enige die er dan wijzer van werden zijn de verkoper van de apps en Google. De recente aankoop van Google moet dan ook met enig cynisme bezien worden. Het is trouwens ook mogelijk gezien het bovenstaande dat Google in al haar gretigheid met deze aankoop een kat in de spreekwoordelijke zak kocht.
Als u overigens nu nog de website www.SenosisHealth.com wilt bezoeken? Die is nu uit de lucht.

W.J.Jongejan

 




Ooit in somatische zorg van boete gehoord als je vragenlijst niet invult?

PolitieagenteDe geestelijke gezondheidszorgGGZ) staat voor gek als het gaat om het afhankelijk stellen van zorg van het invullen van vragenlijsten over het welbevinden of een “boete aanzeggen” als er geen ROM-vragenlijsten worden ingevuld. Op dit moment is er veel te doen over het gebruik van ROM-data voor benchmarking en zorginkoop. De vragenlijsten die horen bij de Routine Outcome Monitoring waren ooit gemaakt en bedoeld om tussen patiënt en behandelaar in de GGZhet verloop van de therapie te evalueren, maar werd door toedoen van overheid, zorgmanagement en zorgverzekeraars tot een instrument voor benchmarking en zorginkoop. Eerst waren alleen de zorginstellingen verplicht om de ROM-data aan te leveren aan de Stichting Benchmark GGZ(SBG), maar sinds 1 januari 2017 ook de vrijgevestigde zorgaanbieders in de GGZ. Bij niet aanleveren van die data wordt de vergoeding voor de geleverde zorg gekort. Instellingen blijken dat te willen doorberekenen aan de patiënt of volgens een principal consultant (op LinkedIn) bij een IT-dienstverlener in de zorg de intake afhankelijk stellen van ROM-lijsten invullen. In de somatische zorg heeft zoiets nog nimmer gespeeld.

Somatische zorg
Hebt u ooit ervan gehoord dat iemand bij een huisartsbezoek, een polikliniekbezoek of bij een ziekenhuisopname na het weigeren van het invullen van een vragenlijst een boete kreeg aangezegd of men de zorg niet startte daarom? Iedereen zou meteen op de achterste benen staan en het protest zou niet van de lucht zijn. Als onbestaanbaar zouden dergelijke acties bestempeld worden. Des te vreemder is het dat zoiets wel plaats vindt in de GGZ en een advocatenkantoor en de Nederlandse Zorgautoriteit(NZa) het verdedigen.

Zorgvisie
Op de website van het online-magazine Zorgvisie, dat over het algemeen voornamelijk VWS- welgevallige informatie publiceert, stond na het rumoer over de boete voor het niet meewerken aan ROM-men door een Centiv-cliënt een opmerkelijke bijdrage. Het was een interview met de advocaat Koen Mous van Dirkzwager advocaten en notarissen. Die stelde naar aanleiding van dit onderwerp dat er contractvrijheid is in de zorg. Daarmee bedoelt hij dat een instelling een behandelcontract zo mag opstellen dat daarin het meedoen aan ROM-men en het naar SBG opsturen van die data verplicht is. Hij stelt:

In principe kunnen cliënten en zorgaanbieders overeenkomen dat het invullen van de vragenlijsten een verplichting is die bij de behandeling hoort en dat de instelling een boete kan opleggen als het niet gebeurt. Maar dat moet dan wel contractueel worden afgesproken en de cliënt moet er van tevoren goed over worden geïnformeerd.”

Wat hij hier zegt komt neer op een wel heel zonderlinge, asymmetrische, relatie tussen de contractanten. De cliënt, die in een afhankelijkheidsrelatie van de zorgaanbieder verkeert, verliest door een dergelijke vorm van contracteren het recht in vrijheid te beslissen over het wel of niet meedoen met het ROM-men.

NZa
De Nederlandse Zorgautoriteit twitterde op 17 augustus dat het ten aanzien van de ROM-kwestie zorgaanbieders en zorgverzekeraars vrij stond om onderling afspraken te maken. Daarnaast verdedigt de NZa zich door te stellen dat het gebruik van ROM in het kwaliteitsstatuut GGZ staat. Hierin beschrijven branchepartijen zelf welke rol de ROM vervult. De NZa gaat echter voorbij aan het stelsel van convergerende afspraken waarbij met financiële sturing door zorgverzekeraars, met op de achtergrond het ministerie van VWS, toegewerkt is naar dat kwaliteitsstatuut, dat gebouwd is op een uiterst wankele ROM-basis.

GGZ-NL directeur
Hoewel de brancheorganisatie van werkgevers in de GGZ, de GGZ Nederland, geen duidelijk verhaal houdt over de rechten van de cliënt om te weigeren mee te doen aan het gebruiken van ROM-data in het kader van de “zogenaamde” kwaliteitsverbetering, erkent de directeur mevrouw Veronique Esman-Peeters in een reactie op een open brief aan haar wel degelijk het recht om niet mee te moeten werken. Die open brief was door Judica Berkelaar, ex-cliënte, geschreven naar aanleiding van opmerkingen van Veronique Esman, opgetekend in Het Parool begin augustus. In haar reactie per email aan Judica Berkelaar schrijft zij dat patiënten daarbij ook de mogelijkheid moeten hebben om bezwaar te maken tegen het gebruik van hun gegevens voor kwaliteitsverbetering. Het probleem is dat GGZ Nederland dus blijkbaar wel vindt dat een cliënt mag weigeren om ROM-data te dien opsturen naar SBG, maar dat niet aan de grote klok hangt.

Waarom accepteren?
Bij het hierboven beschreven grote verschil tussen de somatische zorg en de GGZ komt natuurlijk meteen de vraag boven drijven of cliënten in de GGZ de dwang om ROM-lijsten in te vullen teneinde die door te laten sturen naar SBG zich moeten laten welgevallen. Het antwoord is volmondig neen. Overheid en zorgverzekeraars hebben een krom systeem in elkaar gedraaid waarbij zorgaanbieders verplicht zijn ROM-lijsten te doen invullen door cliënten en door te sturen naar SBG op straffe van boetekorting voor zorgaanbieders bij onvoldoende medewerking. Daarbij is de cliënt niet rechtstreeks partij, een enorme weeffout in de bestuurlijke constructie.
Los  van die cobstructie blijft een cliënt het recht houden niet mee te hoeven werken aan een dergelijk systeem en dus eigenstandig een afweging daarover te maken.

Het motto moet daarbij zijn: Wat in de somatische zorg als onacceptabel zou worden beschouwd, is evenzeer onacceptabel in de GGZ.

W.J. Jongejan

Met dank aan N.N. voor het delen van één van zijn zieleroerselen




Hoe een geavanceerde PET/SPECT-CT-scanner van Siemens toch een veiligheidslek kon vormen

CT-scanBegin augustus waren enkele berichten te lezen over kwetsbaarheden in gecombineerde PET-CT, SPECT en SPECT-CT scanners van de electronica-gigant Siemens. Dat zijn beeldvormende apparaten die gebruik maken van bij een patiënt ingebrachte radioactieve stoffen(radionucliden). Naast het detecteren van stralingsuitingen kunnen tegelijk Röntgenopnames met de CT-scanner worden gemaakt. De genoemde apparaten blijken gebruik te maken van Windows 7 als operating system en zijn door middel van die software aan ziekenhuisnetwerken gekoppeld. Een viertal voor de veiligheid essentiële updates van Windows 7 uit 2015 bleken niet van fabriekswege of onder begeleiding van Siemens geïnstalleerd te zijn geweest. Dat leverde een grote kwetsbaarheid voor hackers op. Hackers met een geringe kennis van zaken hadden al misbruik kunnen maken van dergelijke zwakheden. Siemens meldde: ”An attacker with a low skill would be able to exploit these vulnerabilities”. Immers, via de zwakheden in de software hadden door het aanbrengen van malware via phishing-mail hele ziekenhuissystemen gecompromitteerd kunnen worden. Kijk maar naar de Wannacry-ransomware-uitbraak in ziekenhuizen in mei van dit jaar.

Siemens
Dit bedrijf kwam op 26 juli 2017 met een waarschuwing waarin dringend geadviseerd werd aan de ziekenhuizen met dergelijke apparatuur van Siemens om enkele maatregelen te nemen. Als eerste werd geadviseerd zo mogelijk de gewraakte systemen los te koppelen van het ziekenhuisnetwerk. Gewezen werd op het daarna uitvoeren van de cruciale updates uit 2015 om vervolgens de apparatuur weer aan de ziekenhuisinfrastructuur te koppelen. Dit is de enige zinnige oplossing voor een dergelijk probleem. Het is zeer de vraag of Siemens eigenstandig tot het inzicht van de hackbaarheid van de apparaten gekomen is of dat intelligente gebruikers uit de ziekenhuiswereld hen inlichtten. Het is zelfs niet uitgesloten dat ethische hackers hetbedrijf ingelicht hebben. Siemens heeft richting de gebruikers van de door haar geleverde apparatuur actie ondernomen om de problemen op te lossen.

CERT
Het Amerikaanse industrial Control Systems Cyber Emergency Response Team (ICS-CERT), kortweg meestal CERT genaamd, deed dezelfde waarschuwing uitgaan op 3 augustus in een tweetal meldingen. (01 en 02). In de eerste wordt nog gesproken van twee kwetsbaarheden, in de tweede gaat het om vier. Men benoemt net als Siemens de mogelijkheden om van buitenaf door code-injectie controle over de software van het apparaat te krijgen EN toegang tot het netwerk waaraan het gekoppeld is.

Waarom?
De grote vraag bij dit naar buiten gekomen probleem is waarom dit heeft kunnen gebeuren. Van een elektronicagigant als Siemens verwacht je dit soort basisfouten, zoals het niet installeren van alle updates van een besturingssysteem, niet. Eén van de mogelijkheden is dat de gewraakte updates interfereerden met de eigen software en daardoor niet geïnstalleerd zijn. Als na het verbeteren van de eigen software vergeten wordt de updates alsnog te installeren is een groot lek geschapen. Zeker als
zowel Siemens als CERT spreken van een kwetsbaarheid waarbij een aanvaller niet al te veel vaardigheden hoefde te hebben.

Waarschuwingen
Al enige tijd wordt gewaarschuwd voor niet volledig ge-update systemen, waarbij veiligheidspatches niet geïnstalleerd zijn. Het gaat niet uitsluitend om de netwerksoftware in een gezondheidszorginstelling, maar om ook om de software van deelsystemen en aan het netwerk gekoppelde onderzoeksapparatuur. De keten is nu eenmaal net zo sterk als de zwakste schakel. Daarnaast moet bedenken dat criminelen tegenwoordig veel meer geld vergaren  met data uit medische bronnen met een targeted attack dan met bijv. creditcardfraude.

W.J. Jongejan

De afbeelding toont geen PET- of SPECT-scanner.

 




Peperdure masterclasses (€ 2655,95-incl.BTW) om stagnerende eHealth te helpen promoten

Geld

Het promoten van eHealth is big business geworden zeker nu al enige tijd blijkt dat de organische groei van eHealth zeer te wensen overlaat. Met cursussen en masterclasses moet de ontwikkeling aangejaagd worden. De meest recente vorm is een serie masterclasses die het online magazine SKIPR georganiseerd heeft. Voor zeven sessies op even zoveel dagen in dit najaar moet welgeteld een bedrag van € 2655,95 neergeteld worden. Al in oktober 2015 schreef ik een artikel over eHealth als de nieuwe kleren van de keizer. Het bestuur zag het allemaal wel maar de gewone burger nog niet. Toen al was duidelijk dat het allemaal niet zo vlotte met de financiële winst die men op het ministerie van VWS bedacht had met de rigoreuze toepassing van ICT in de zorg. Publicitair ging het ministerie daarbij over de rand van het betamelijke gegaan in een brochure van VWS. Daarin liet het ministerie uit de mond van Lucien Engelen optekenen dat zorgverleners die waarschuwde voor aantasting van privacy tot de privacy-maffia behoorden.

Geen toeval
Dat dit soort masterclasses georganiseerd worden is geen toeval te noemen. In 2016 startte het ministerie van VWS het zogenaamde “FastTrack eHealth intitiatief”. Dat gaat uit van publiek private samenwerking. Naast de bijdrage van de Rijksoverheid worden ook afspraken gemaakt met private partijen zoals banken, pensioenfondsen, investeerders en zorgverzekeraars. Vanaf dat punt werd het initiatief uitgewerkt en ingericht in nauwe samenwerking met het ministerie van Economische Zaken waarbij actieve samenwerking gezocht wordt met StartupDelta.  Daar werd een subsidiebedrag van 20 miljoen euro voor uitgetrokken. In dat licht dient ook het organiseren van bovengenoemde masterclasses gezien worden.

Opzet
Bij het bekijken van de webpagina van het organiserende online magazine met de sprekers valt ogenblikkelijk op dat er geen echte zorgverleners aan het woord komen. Wel “ the usual suspects” uit het management van VWS(Karen van Ruiten), zorgverzekeraar(Joris van Eijck van Menzis), Nictiz(Lies van Gennip), en wat ondernemers in de zorgsector. Daaronder Daan Dohmen van het zorginnovatiebedrijf FocusCura. Daarnaast ook de nodige visionairs en strategen. De enige arts(apotheker) die ik ontwaarde was Pieter-Joep Huige, maar die was als zodanig niet werkzaam in de zorg, maar leidt een bedrijf in digitale dienstverlening in de zorg.

Managementtaal
De aankondigingen van de nogal dure masterclasses staan bol van de taal van de moderne zorgmanager: visie, strategie, tactiek, financiering, opschaling, cultuurverandering, zorgmarketing, draagvlak en co-creatie. Pas de laatste sessie is geweid aan: denk en werk met de eindgebruikers voor ogen. Dat noemt men dan gelijk ook weer” design thinking”. Het is alleen niet zo dat die eindgebruikers zelf een stem hebben als spreker. Toch lijken de sessies ondanks de zeer hoog uitgevallen prijs toch bedoeld te zijn voor het gewone voetvolk: de zorgaanbieders zoals huisartsen en apothekers. De uitnodiging ging wel naar een flink aantal hunner toe.

Omarming
Het probleem met de pushende en hijgerige aan pak van eHealth is dat het een dwingende top-down aanpak kent, en dat men geen genoegen neemt met organische groei vanuit de basis. Tegen eHealth heb ik ook niets.In mijn werkzame bestaan heb ik ook meegewerkt eraan, zowel in het opzetten van een regionale datacommunicatie als met het ondersteunen van een huisartsinformatiesysteem. Wel altijd vanaf de basis, dus bottom-up. Cursussen(masterclasses) organiseren  voor ruim 2600 euro is losgezongen van de werkelijkheid en zal een managers-ondersonsje blijven.

W.J. Jongejan




Boete van Centiv-GGZ ivm niet invullen ROM-lijsten. SBG-ers voelen nattigheid. Reactie Centiv vreemd

agenten

Het verzamelen van ROM-data kan tot heel vreemde zaken leiden. Dat merkte ik op vrijdag 11 augustus toen ik een bizar twitterbericht las. Een patiënt die geen ROM-lijsten invulde tijdens de behandeling bij Centiv BasisGGZ in het oosten van Brabant kreeg het verzoek om 45 euro te betalen aan die instelling. Het argument was dat de zorginstelling voor dat bedrag per patiënt gekort mogelijk gekort zou worden door zorgverzekeraars bij aanleveren van onvoldoende ROM-data aan de Stichting Benchmark GGZ(SBG). Zorgverzekeraars betalen SBG volledig om via hen ROM-data te verkrijegn voor het onderling vergelijken van zorgaanbieders (bench-marking) en zorginkoop. ROM staat voor Routine Outcome Monitoring en vindt plaats door het invullen van vragenlijsten door de patiënt voor, tijdens en na de behandeling door een therapeut bij psychische klachten. De bedoeling daarvan is het effect van de therapie met de therapeut te evalueren en eventueel de therapie bij te sturen. Helaas heeft het idee bij overheids- en verzekeringsinstanties postgevat dat met die data ook therapeuten en instellingen onderling te vergelijken(benchmarking) en er ook zorginkoop op te baseren. Los van gefundeerde kritiek vanuit de GGZ vond de Algemene Rekenkamer ook dat ROM-data daar niet geschikt voor zijn.

Vergoedingskorting

In het Twitterbericht meldde een vrouw dat haar man die onder behandeling is van de GGZ-instelling Centiv in oost-Brabant een email ontvangen had met de mededeling dat hij 45 euro moest betalen aan Centiv als hij geen ROM-listen invulde. Het argument van Centiv was dat de organisatie gekort zou worden op de therapievergoeding door de zorgverzekeraar bij onvoldoende opsturen van ROM-data. Door een aantal convergerende maatregelen en besluiten van zorgverzekeraars en partijen uit de GGZ rust een verplichting op GGZ-zorg-leverende partijen om een bepaald minimum-percentage aan ROM-data van patiënten aan te leveren. Dat ligt nu op 50%. ROM-data die naar SBG gaan zijn volgens het standpunt van Europese privacy-toezichthouders ondanks pseudonimisering toch te beschouwen als bijzondere persoonsgegevens. Daar hoort de patiënt in alle vrijheid een expliciete toestemming voor te verlenen. Een patiënt mag derhalve ook weigeren er aan mee te werken. Wat Centiv nu doet is het risico dat zij loopt op korting op de betaling door zorgverzekeraars verleggen richting de individuele patiënt. De facto is daardoor geen sprake meer van een in alle vrijheid genomen beslissing van die patiënt.

Mogelijke korting??

Heel vreemd is ook de mail dat Centiz alvast begint met het dreigen met een te betalen bedrag van 45 euro als niet binnen 5 werkdagen de ROM-lijsten ingevuld opgestuurd zijn. Een boete dus. Centiv vraagt aan de patiënt dit bedrag te betalen terwijl het absoluut nog niet zeker is of de zorgverzekeraar een strafkorting gaan hanteren vanwege te weinig aangeleverde ROM-data aan SBG. Dat blijkt immers pas als na een kalenderjaar een te laag percentage data aangeleverd is.

SBG

Een tweetal medewerkers van SBG. Marko Barendregt en Astrid van Meurs, hebben op LinkedIn laten weten dat het allemaal zo niet moet. Ze zijn respectievelijk hoofd ontwikkeling en senior adviseur bij de ROM-dataverzamelaar. Ze hebben dondersgoed door dat de hierboven geschetste werkwijze van Centiz gewoon niet kan en publicitair niet bepaald lekker ligt. Toch is het zo dat SBG, als verlengstuk van Zorgverzekeraars Nederland, zelf zich inspant om de verzameling van ROM-data te optimaliseren. Namens SBG zeiden de advocaten tijdens het recent gevoerde kort geding nog in hun pleitnota dat de patiënt de “ethische verantwoordelijkheid” heeft om mee te werken aan een lerend zorgsysteem, daarbij doelend op de aanlevering van ROM-data.

Instellingen weigeren cliënt    

In de discussie op LinkedIn bij dit onderwerp laat één van de discussianten, een principal consultant bij een IT-dienstverlener weten dat hij GGZ-instellingen kent die de intake niet door laten gaan als er geen ingevulde ROM-vragenlijst vooraf aanwezig is. Negatieve selectie bij de poort dus. Ik acht zowel de 45 euro “boete” als een negatieve selectie aan de poort ethisch onaanvaardbaar.

Centiv-directeur

In een reactie op de website van Centiv op 12 augustus 2017, zegt directeur Wouter Hoge, dat naar zijn persoonlijke mening het ROM-men zou moeten verdwijnen/verbeteren of naar een redelijker percentage moeten (zoals 30%; meer passende bij het vrijwillige karakter ervan in de ogen van de cliënt).  Hij komt daarnaast met een heel vreemde uitleg over het boete-verhaal. Zo zou de boete “vrijwillig” zijn en de laatste twee jaar niemand beboet zijn. Ook zou er geen apart protocol voor zijn. Hoe de bovengenoemde patiënt dan wel een “boete”-aanzegging met een specifiek bedrag kreeg is een raadsel. Hij zegt er een voorstander van te zijn dat de zorgverzekeraar de patiënt rechtstreeks financieel aanspreekt bij niet meewerken aan het ROM-men, en niet de zorginstelling. Hij wil in gesprek gaan met de cliëntenraad over de “boete”-kwestie en doet daarbij het voorstel voor een cliënt-vriendelijker alternatief. Hij denkt daarbij bijv. aan het verloten van een VVV-bon onder de invullers. In wezen is dat bizarre voorstel nog erger dan het opleggen van een boete. Het is een poging tot omkoping van de patiënt om diens weigerrecht te laten schieten. Los van die VVV-bon is het inschakelen van een cliëntenraad een volkomen onterechte actie. In gesprek gaan met SBG en Zorgverzekeraars Nederland ligt eerder voor de hand.

 Afglijden

Wat we hier zien gebeuren is het geleidelijk steeds verder uithollen en afschaffen van patiëntenrechten in een door managers en administrateurs gerund systeem, waarin dubieuze keuzes zijn gemaakt. Dubieus qua grondslag(ROM-men is immers niet geschikt voor benchmarking en zorginkoop) en dubieus qua uitvoering. Als een patiënt zijn wettelijk recht om te weigeren ROM-lijsten in te vullen en op te laten sturen naar SBG alleen kan handhaven als hij/zij 45 euro(of welk bedrag dan ook) betaalt, dan is het echt zo geworden dat we voor onze privacy moeten gaan betalen. Het voorstel van de Centiv-directeur met de VVV-bon maakt het alleen nog maar erger.

We zijn wel heel diep gezonken.

Of zoals Wim Kan ooit zong: “Wat een land, wat een land, waar dat allemaal maar kan.”

W.J. Jongejan




SBG en ZN prediken tav ROM-data ten onrechte business as usual

pastor vrouw

Zowel op de website van Zorgverzekeraars Nederland als op die van de Stichting Benchmark GGZ(SBG) verkondigen beide instellingen dat het verzamelen en verwerken van ROM-data uit de psychiatrie hervat kan worden als gevolg van de uitspraak van de rechter in kort geding. De rechter wees de eisen van de aanklagende partij af. Die hielden in dat SBG de verwerking van ROM-data diende te staken en de resultaten ervan niet meer zou doorleveren. Daarnaast eisten de klagers dat SBG (ex)patiënten te informeren te informeren over de verwerking van de op hen betrekking hebbende gegevens door SBG. De eisende partijen vonden dat niet wordt voldaan aan de Wet bescherming Persoonsgegevens(Wbp. De SBG vindt dat de gegevens die zij verwerkt (waar geen namen in staan) niet onder die wet vallen, omdat ze niet tot individuele personen herleidbaar zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat in deze zaak niet vastgesteld kon worden dat de gegevens wel onder de wet vielen. Voor een definitief oordeel op dat punt is een diepgaander onderzoek nodig. Daarbij hintte de rechter er in zijn uitspraak meermalen op dat een bodemprocedure wenselijk is om de kardinale twistpunten die in het kort geding naar voren gebracht zijn in rechte te laten beslechten.

Aanloop kort geding

In de week voorafgaand aan het kort geding had SBG opeens een aantal aanvullende maatregelen bekend gemaakt. Het ging om het onomkeerbaar versleutelen van diverse cijferreeksen in de ROM-data die aangeleverd werden. Tevens maakte SBG toen ook opeens bekend op welke wijze postcode en geboorteland binnen haar systeem verwerkt werden. Het handelen van de SBG in de week voor het kort geding kent de rechter veel gewicht toe aan deze extra privacy verbeterende maatregelen. Daarbij is het van groot belang te bedenken dat het maatregelen en informatie zijn die onder druk van de rechtszaak naar boven kwamen. Zonder het kort geding was dat niet gebeurd.

Bodemprocedure

De rechter heeft gezegd dat voor hem niet onomwonden vaststaat dat de maatregelen die SBG vlak voor het geding genomen heeft onvoldoende zijn om herleidbaarheid tot een enkele persoon te voorkomen. Hij heeft niet gezegd dat de data geen persoonsgegevens zijn, maar dat het te complex is om in een kort geding over te oordelen. Hij wees in dat opzicht direct en indirect op een bodemprocedure over deze materie.

SBG

Volgens SBG is niet aangetoond dat de dataverzameling van SBG niet legitiem zou zijn. Het is geenszins uitgesloten dat als voldoende informatie over de dataverwerking bekend is wel aangetoond kan worden dat SBG niet legitiem handelt. Het probleem in deze zaak is dat er een enorm verschil in informatiepositie is tussen de eisers en SBG als data verwerkende organisatie. Slechts door de maatregelen die SBG in de aanloop naar de rechtszaak nam werd een deel van de sluier opgelicht.  Overigens is door de minister van VWS al erkend dat voor het verzamelen van de ROM-data toestemming van de patiënt in alle gevallen vereist is omdat de Autoriteit Persoonsgegevens(AP) stelt dat bij (dubbel) pseudonimiseren toch sprake is van bijzondere persoonsgegevens waarvoor expliciete toestemming van de patiënt nodig is. De AP heeft een veertigtal vragen gesteld aan SBG over het verzamelen en verwerken van ROM-data.  SBG kraait nu dat de dataverzameling van haar niet onderworpen is aan privacyregels. Dat valt nog te bezien. De AP moet daarover nog met haar oordeel komen.

ZN

Ook ZN kraait de victorie. Op de website is te lezen dat de zorgverzekeraars blij zijn dat de voorzieningenrechter bevestigd heeft dat de privacy van patiënten/cliënten gewaarborgd is bij SBG. De directeur zorg, Maarten Hoek voegt daar nog aan toe dat privacy een groot goed is. Hij stelt dat op basis van de uitspraak van de rechter de zorgverleners in de GGZ de ROM-data-aanlevering aan SBG weer kunnen hervatten. Hij gaat daarbij ook volledig voorbij aan het onderzoek dat de AP bij SBG doet en de opvattingen van de minister van VWS over het niet-vragen van toestemming en loopt zo voor de muziek uit.

Arkin

In de regio Amsterdam is ARKIN BasisGGz actief als hulpverleningsorganisatie op psychiatrisch gebied. Deze organisatie is zich terdege bewust van het belang van het onderzoek dat de AP bij SBG aan het doen is. Terecht meldt zij op haar website dat de AP vindt dat de privacy mogelijk niet voldoende beschermd is als andere instanties( lees: SBG) de gegevens gebruiken voor onderzoek. Daarom stuurt Arkin BasisGGZ de ROM-data vooralsnog niet door naar SBG. Arkin heeft dus goed begrepen hoe de vork in steel zit.

Vonnis lezen

Het moge duidelijk zijn dat uit het voorgaande blijkt dat het soms lastig is om een oordeel van de rechter op correcte wijze weer te geven en conclusies daaruit te trekken. SBG en ZN, als financier van SBG, hebben een groot belang om de ROM-data aanlevering en verwerking weer op gang te krijgen. Het geforceerde geluid dat zij nu laten horen is hangende het onderzoek van de AP en de uitslag daarvan zeker niet gerechtvaardigd.

W.J. Jongejan




VWS predikt eHealth-revolutie. D-G Gerritsen doet oproep tot guerrilla patiënten

revolutie

Grote, revolutionaire, woorden uit de mond van directeur-generaal Erik Gerritsen van het ministerie van VWS  zijn te lezen op de website IBestuur Online in een artikel dat op 3 augustus 2017 verscheen. Onder de titel: “Erik Gerritsen: “Ik roep patiënten op tot guerrilla!” was het artikel al gepubliceerd in het  julinummer van het doorgaans rustieke, papieren magazine met die naam. Het is een soort taalgebruik dat doorgaans niet uit de mond van leidinggevenden van een ministerie op t te tekenen valt. De wanhoop druipt van de tekst af. Wanhoop, omdat het ministerie van VWS al enkele jaren met veel geld en energie hoog inzet op eHealth, terwijl het in de praktijk allemaal maar niet wil vlotten. Een stimuleringsprogramma, genaamd VIPP, a raison van 105 miljoen euro is één van de laatste grote eHealth-uitgaven van het ministerie van VWS.  Bij het lezen van de eHealth-monitors van Nictiz en NIVEL van de afgelopen jaren valt  die stagnatie duidelijk op. Alleen al aan de koptekst is het af te lezen. Die van 2015 had als motto ”Tussen vonk en vlam”, die van 2016 ”Meer dan techniek”. Telkens maar weer praat men over stimuleren en aanjagen, terwijl ook al sprake is van enige pressie richting zorgaanbieders en beroepsorganisaties. Nu zijn blijkbaar de patiënten, waar het allemaal voor bedoeld is, aan de beurt. Op een zeer beperkte groep na wil eHealth echt niet zo vlot indalen bij diegenen waar alle zorginspanningen voor bedoeld zijn.

Niet vreemd

Het is helemaal niet zo vreemd dat eHealth niet die vlucht kent die VWS uitstippelde. De zorg kenmerkt zich nu eenmaal door persoonlijke contacten waar in vertrouwen informatie tussen patiënt en zorgaanbieder uitgewisseld wordt. ICT-toepassingen vervullen die rol nu eenmaal niet of nauwelijks. Geleidelijk krijgt de ICT een beperkte plaats binnen de zorg. Die geleidelijkheid laat zich echter niet of nauwelijks versnellen door stimuleringsprogramma’s. De patiënt moet het namelijk willen en het kunnen. Het moet daar “landen” voor het een grote vlucht kan nemen.

Voorbeeld van een dood paard

dead horseIn het interview komt als voorbeeld van een heel wenselijke vorm van eHealth het beeldbellen(=zorg op afstand =telezorg=TV-foon) weer ter sprake. Dat wordt al meer dan tien jaar gestimuleerd door VWS en diverse organisaties in de zorg. Het blijkt alleen op kleine schaal te werken. Bij breed uitrollen doet zich het probleem voor dat de haalbaarheid omgekeerd evenredig is met de schaalgrootte. Noch geld, noch enthousiasme van implementeerders hebben daar iets aan kunnen veranderen. Ik schreef er op 5 november 2015 al een artikel over. Het beste advies wat men kan geven”when riding a dead horse” is “to dismount the dead horse” en niet “to whip the dead horse”

Opschalen

Directeur-generaal Erik Gerritsen ziet het probleem vooral in het opschalen van allerlei initiatieven. Hij ziet het niet zozeer als een technisch probleem, maar als een veranderkundige(sic!!)opgave. Hij ziet de eHealth-toepassingen wel groeien, maar nog steeds in de marge. Het wil maar geen regulier zorg worden. Op het ministerie groeit het besef dat ook al is de financiering uitgevogeld, het breed uitrollen van eHealth toch wel erg weerbarstig blijft. Daar wil Gerritsen nu verandering in aanbrengen door de patiënt in te schakelen.

MedMij

Het ministerie van VWS heeft zeer recent vrij veel subsidie en energie gestoken in de ontwikkeling van MedMij, een set technische standaardisatieafspraken waarmee de systemen van zorgaanbieders over drie á vier jaar gegevens kunnen uitwisselen met elke MedMij-gecertificeerde app waarin een patiënt zelf zijn gegevens bijhoudt. Dat is nu technisch nog niet mogelijk. Hij ziet de bui nu al hangen dat ook die toepassing straks maar marginaal gebruikt gaat worden.

Oproep tot guerrilla

Waartoe roep Erik Gerritsen op: “Guerrilla van patiënten, dat hebben we nodig! Ik hunker naar de eerste patiënt die bereid is op de voorpagina van de Telegraaf te verklaren dat ze van huisarts is veranderd omdat de vorige geen digitale consulten deed.”

Hij wil dat patiënten zeggen: “En ik wil een huisarts die digiconsulten aanbiedt, want anders moet ik vrij nemen en dat kost me weer een halve dag. Wij blijven er bij VWS natuurlijk ook aan sleuren, maar veranderen gaat sneller als patiënten het zelf ook niet meer pikken.”

Geforceerd

De oproep van Erik Gerritsen is de zoveelste poging van het ministerie van VWS om eHealth enig momentum te geven. Deze poging kan niet anders dan als geforceerd, gewild en vreemd worden gekarakteriseerd en niet passend uit de mond van een topambtenaar van VWS.

W.J. Jongejan

 

 




De houd-er-de-moed-maar-in show van Nictiz en Nivel over het e-consult

e-consult

Op 1 augustus 2017 publiceerde NIVEL en Nictiz de resultaten van een gezamenlijk onderzoek naar het gebruik van het e-consult. De titel van de publicatie was: “ Zorggebruikers zien zowel positieve als negatieve kanten van het e-consult. Gebruikers zijn positiever over het e-consult dan niet-gebruikers.“ Wat maar heel even wordt aangestipt is dat maar drie procent van de ondervraagden in 2016 gebruik maakten van de mogelijkheid een e-consult te vragen bij huisarts of specialist, dus heel weinig mensen. Het onderzoek vond niet plaats in de open populatie maar in het zogenaamde consumentenpanel van NIVEL. De organisatie is het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Nictiz is het expertisecentrum voor eHealth en houdt zich bezig met het ontwikkelen van standaarden voor zorgcommunicatie. De publicatie vond plaats in het kader van de eHealth-monitor 2017, die begin 2018 moet verschijnen. Het is een publicatie die jaarlijks door beide organisaties gepubliceerd wordt over de stand van zaken rond eHealth. De laatst verschenen  eHealth-monitor is die van 2016. Daarin staat wel dat een aantal eHealth-toepassingen achter blijft bij de verwachting, maar niet duidelijk dat het daadwerkelijke e-consult-gebruik zo fors achterblijft.

eHealth

Het ministerie van VWS en de aan haar gelieerde organisaties hebben enkele jaren terug hoog ingezet op eHealth. Dat is gedefinieerd als: het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, en met name internet-technologie, om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren. Er valt een breed scala van onderwerpen onder, van apps op de smartphone om leefwijze en ziekten te monitoren tot het met de systemen die zorgaanbieders gebruiken om zorgdata vast te leggen. De gedachte achter eHealth is dat de zorg er toekomstbestendig door wordt, alles door innovaties er beter en vlotter aan toe gaat in de zorg en uiteraard geld bespaard wordt. Onder het e-consult wordt het stellen van een vraag aan huisarts of specialist verstaan via email of internet(portaal). Zes op de tien huisartsen en 34 procent van de specialisten

Stagnatie

Het is al een jaar of twee duidelijk dat het met de eHealth allemaal niet zo loopt als ten burele gedacht is. Goedsmoeds roept deze en gene dat het allemaal best wel vlot, maar er zijn gigantische stimuleringsprogramma’s opgezet om maar momentum te creëren. Forse bedragen gaan daarin om. Er wordt in Nederland al enkele jaren een jaarlijkse eHealth-week gehouden. Daarnaast is er sinds 2010 jaarlijks een Europese eHealth-week. Het feit alleen al dat dergelijke weken jaar in jaar uit georganiseerd worden maakt al duidelijk dat het allemaal niet zo vlot, want waarom anders telkens maar stimuleren. In de eHealthmonitor 2016 houden Nictiz en NIVEL zelf een pleidooi om wat meer de zweep erover te halen, dus het verplicht stellen aan beroepsverenigingen, opleidingsinstituten om eHealth te implementeren. De zwarte piet legt men meestal bij de zorgaanbieder die niet duidelijk genoeg zou maken wat beschikbaar is. Vaak bekruipt mij het gevoel bij eHealth dat er sprake is van de nieuwe kleren van de keizer. Iedereen roept erover dat het er is of eraan komt zonder dat er substantieel iets gebeurt.

Voordelen?

Bij het onderzoek vond niet plaats in de open populatie maar door een steekproef van 1500 mensen n onder het 12.000 man tellende Consumentenpanel Gezondheidszorg van NIVEL. Uiteindelijk werden de antwoorden van 611 respondenten gebruikt. Als meerwaarde van het e-consult gaf ruim 60 procent van de gebruikers aan dat je je vragen kon stellen op het tijdstip dat het je uitkomt. Het lastige bij een e-consult is echter dat de huisarts of specialist ook zelf antwoordt op een moment die het hen uitkomt. Er is absoluut geen garantie dat een antwoord binnen een dag of dagdeel gegeven wordt. Doorvragen van zowel patiënt als arts is bij een e-consult ook vele malen lastiger dan bij een telefonisch consult.

Hoe vaak?

Het rapport staat veel stil bij wat mensen zeggen te gaan of te willen gaan doen met e-consulten. Enigszins weggestopt tussen alle getallen staat het percentage deelnemers dat echt een dergelijk consult in 2016 realiseerde. Dat blijkt slechts drie procent te zijn. Bitter weinig dus. Helemaal vreemd is dat niet, want het stellen van een vraag in een e-consult aan huisarts of specialist kan eigenlijk alleen verantwoord met een beveiligde mailverbinding of via een patiëntenportaal. Voor dat laatste is registratie noodzakelijk met inlognaam en wachtwoord en wordt per sessie gebruik gemaakt van een sessiecode die per mail of sms-bericht toegestuurd wordt. Dat is iets wat door veel mensen als lastig wordt ervaren of gewoon te hoog gegrepen is.

Houd-er-de-moed-maar-in

Alle pogingen die Nictiz en NIVEL ondernemen om diverse eHealth-toepassingen breed geaccepteerd en toegepast te krijgen hebben veel weg van het tegen beter weten in de moed erin houden. Men realiseert zich niet dat iets wat goed is vanzelf komt. Dat het e-consult nooit grote hoogten zal bereiken is ook zichtbaar in antwoorden op sommige vragen in het onderzoek. Zo zegt 75 procent van de respondenten dat de meerwaarde van een telefonisch consult vooral gelegen is het persoonlijke contact. Het persoonlijke contact is één van de wezenlijke kenmerken van de relatie tussen patiënt en arts. ICT en toepassingen ervan zullen alleen beperkt aanvullend werken.

W.J. Jongejan