21 mei 2015

Eerste Kamer-commissie hekelt wetsvoorstel aangaande LSP

image_pdfimage_print

courtyard-591425_640Ook geplaatst op www.huisartsvandaag.nl vrijdag 22 mei 2015.                        

De vaste Eerste Kamer(EK)commissie voor VWS organiseerde, zoals eerder gemeld, op 13 april 2015 een hoorzitting over het wetsontwerp 33509. De volledige naam is Wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens). VWS beoogt er  het gebruik van het LSP een wettelijke basis mee te geven. Op die datum werd o.a. door KNMG, LHV, VPHuisartsen, de heer van ’t Noordende van de UvA, NPCF, Nictiz, VZVZ en RVZ input geleverd.De commissie heeft bijzonder goed geluisterd naar wat op die hoorzitting door de belanghebbenden te berde is gebracht. Naar aanleiding van die informatie is een nader voorlopig verslag gemaakt waarin de diverse fracties van de Eerste Kamer weer nieuwe, en zeer diepgaande vragen aan de minister van VWS stellen. Naast dit verslag is een brief naar de minister gestuurd met de vraag of de minister met nauwkeurig cijfermateriaal kan aangeven wat de effecten zijn van dit wetsvoorstel op de regeldruk voor de zorgaanbieders. De perceptie van de regeldruk rond het LSP is voor de vaste EK-commissie voor VWS totaal anders dan het ministerie dat brengt in de toelichtingen op het wetsontwerp.

Regeldrukeffecten

Tijdens de hoorzitting werd duidelijk dat het uitvoeren van het begrip “gespecificeerde toestemming” voor de uitwisseling van patiëntgegevens een voor het veld onwerkbare situatie veroorzaakt. In eerste instantie had het ministerie van VWS het bij het LSP-gebruik telkens over “de opt-in-toestemming”.

Dat is echter een algemene, generieke, toestemming waarbij de burger toestemming, zonder beperkingen, geeft  om de medische data te doen opvragen in het kader van een behandeling. In het wetsontwerp 33509 van VWS werd plotseling het begrip “gespecificeerde toestemming” geïntroduceerd. Daarmee werd bedoeld dat naast de eerdere genoemde generieke toestemming er de mogelijk moet zijn om deze toestemming in te perken door die slechts te gaan laten gelden voor bepaalde categorieën van zorgaanbieders. Dit naar keuze van de patiënt. Een opt-out boven op een opt-in dus.

In de Tweede Kamer werd vervolgens bij amendement van Hanke Bruins Slot(CDA) bepaald dat uitsluitend de gespecificeerde toestemming gebruikt mocht gaan worden. Dat betekent de facto dat elke zorgaanbieder niet alleen de algemene toestemming moet vastleggen maar ook welke zorgaanbiedersgroepen uitgesloten dienen te worden. In de spreekkamer is het een onuitvoerbare bezigheid om uit te vragen en vast te leggen wat de patiënt wel of niet  wil.

Onuitvoerbaar

In het nader verslag na de hoorzitting is te lezen dat Kamer(EK)-breed door de fracties ernstig  getwijfeld wordt over de uitvoerbaarheid van het wetsontwerp. Ook de fractie van de VVD, Schippers eigen partij,  is die mening toegedaan. Ook ziet de VVD-fractie dat er wel degelijk een vorm van dwang richting artsen wordt toegepast door zorgverzekeraars om aan te sluiten op het LSP en opt-in-toestemmingen te verwerven. De partij zet grote vraagtekens bij de bescherming van de privacy van de patiënt. De VVD-fractie stelt dat het zeker niet vanzelfsprekend is om ten aanzien van medische dossiers eenzelfde beveiliging te organiseren als voor andere elektronische gegevensopslag en uitwisseling ervan. Zelfs spreekt de VVD van het bijna niets of niets regelen op het gebied van een extra beveiliging met betrekking tor de privacy van de patiënt.

De PvdA-fractie laat weten in het wetsvoorstel geen voordeel voor de patiënt te zien, maar alleen nadelen. Ze vinden het bedenksel van de “gespecificeerde toestemming” zodanig ingewikkeld voor de burger dat die na verloop van tijd niet meer weet aan wie hij/zij toestemming heeft verleend.

De CDA-fractie benadrukt dat de Eerste Kamer het begrip uitvoerbaarheid van een wettelijke bepaling als een belangrijk toetsingsinstrument van een wetsvoorstel hanteert.

Vreemde suggestie

De CDA-fractie komt verder met een zeer apart suggestie. De fractie beschrijft hoe in het geval een patiënt slechts selectief gegevens ter opvraging beschikbaar wil stellen dit op gespannen voet kan komen te staan met adequate hulpverlening  en de mate van patiëntveiligheid. De regering stelt dat in dat geval de zorgaanbieder de behandeling moet kunnen opzeggen. Het CDA komt met de suggestie om de zorgaanbieder de mogelijkheid te bieden om bij weigering van de patiënt om voldoende gegevens te delen die weigering te overrulen. Daarbij denkt het CDA aan een beroep op de Inspectie voor de GezondheidsZorg(IGZ). Het lijkt erop dat het CDA in dezen de reikwijdte van de wet nog verder wil verruimen en nog verder wil gaan in het doorbreken van de privacy met de IGZ als boeman.

SP

Het commentaar van de SP-fractie is verreweg het langst. Over de hoorzitting op 13 april zegt de fractie het volgende:

“Eigenlijk is door alle vertegenwoordigers vanuit het veld betoogd dat het wetsvoorstel zo onoverzichtelijk, onbegrijpelijk en ingewikkeld is dat de patiënt niet echt geholpen wordt(Nictiz), dat de mate van complexiteit niet alleen de inzet van mensen en middelen bepaalt, maar daarmee ook de kans op fouten(VZVZ) en dat de wet op cruciale punten niet uitvoerbaar en over belangrijke zaken onduidelijk is(LHV).”

De SP-fractie zet ook terecht grote vraagtekens bij de juich-cijfers van VZVZ over het aantal dossiers dat thans gedeeld wordt via het LSP en over de betekenis van het aantal geïncludeerde BSN-nummers in de LSP-index. De cijfers van VZVZ geven namelijk al tijden een zeer vertekend beeld. Daarover berichtte ik  eerder. Heel subtiel is de vraag van de fractie of de regering uiteen wil zitten wat het verschil is tussen opt-in, specifieke toestemming en gespecificeerde toestemming. Zoiets moet in een zo vergevorderd stadium van behandeling van een wetsvoorstel uit de wetstekst en diverse ministeriele toelichtingen al lang duidelijk zijn.

Vasthoudend

De vaste commissie voor VWS van de Eerste Kamer lijkt zeer sterk vast te houden aan de geplande plenaire behandeling op dinsdag 26 mei. De minister heeft als reactie op de brief gemeld dat ze inzake de toename van de regeldruk(toestemmingen bijhouden) externe deskundigen wil raadplegen en het onzeker acht of de behandeling van wetsvoorstel 33509 op 26 mei wel mogelijk is.. De commissie daarentegen houdt vast aan 26 mei, wil het antwoord van de minister uiterlijk 22 mei ontvangen en neemt daarover zelf contact op met de minister.

Werkvloer

Op de werkvloer is in de huisartssystemen het  alleen maar mogelijk de generieke opt-in-toestemming vast te leggen. Enige specificering van de opt-in is niet mogelijk. Als wetsontwerp 33509 onverhoopt toch aangenomen wordt door de Eerste Kamer zal er weer veel programmeer-capaciteit gaan zitten in het aanpassen van de HIS-sen. Dat gaat dan weer ten koste van het zorginhoudelijke programmeren dat al vele jaren het kind van de rekening is. Daarop zal ik later terugkomen.

Wim J. Jongejan, huisarts n.p., kritisch LSP-volger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.