07 jun 2020

Gezichtsverlies voor de AP in de nadagen van een slepende zaak bij bestuursrechter

image_pdfimage_print

gezichtsverliesRecent deed de bestuursrechter uitspraak in een zaak(ROT: 19/2947) die door een burger aangespannen was tegen de Autoriteit Persoonsgegevens(AP). Kern van de zaak was dat de AP een besluit per aangetekende post kenbaar gemaakt dacht te hebben aan betrokkene, maar ontkende verantwoordelijkheid te dragen toen die aantoonde geen besluit ontvangen te hebben. Zelfs toen duidelijk werd dat de AP het besluit naar een ander persoon gestuurd had, ontkende de AP haar verantwoordelijkheid voor de correcte toezending. Aangezien de AP niet te overtuigen was van haar ongelijk stapte de benadeelde naar de bestuursrechter. Deze maakte gehakt van de handelswijze van de AP. Hij stelde op basis van vaste jurisprudentie de burger volledig in haar gelijk. Achteraf is het onbegrijpelijk dat de AP dit wat toch als gezichtsverlies te betitelen zover heeft laten komen en niet bereid was haar verlies eerder te nemen. Een kroniek van een slepende zaak.

Waar ging het om?

Het ging hier om een zaak die ik op deze website meerdere malen aankaartte. Het gaat over het onrechtmatig verzamelen en be-/verwerken van ROM-data van GGZ-cliënten. Op 24 maart 2017 deed Judica Berkelaar(JB) een handhavingsverzoek bij de AP. Daarin verzocht zij het verzamelen en verwerken van (medische en bijzondere) persoonsgegevens in de databank van de Stichting Benchmark GGZ(SBG) zo spoedig mogelijk op te schorten. En toe te zien op de vernietiging per direct van de gegevens in de SBG-databank met het verzoek om toezicht te doen plaats vinden op hernieuwde wederrechtelijke vulling van die databank. Omdat de AP gedurende bijna twee jaar geen besluit op dit verzoek nam, probeerde JB een beslissing af te dwingen. Ze stelde de AP op 16 november 2018 schriftelijk in gebreke door een beroep te doen op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.

Toezending

De AP gaf in een brief d.d. 30 november 2018 aan dat JB recht had op een dwangsom die later door de AP werd vastgesteld op 60 euro. De AP wees vervolgens op 3 december 2018 per aangetekende post het handhavingsverzoek af omdat het onderzoek nog niet was afgerond. Dat was vier dagen later dan de wettelijk gestelde termijn van 14 dagen, aangezien de ingebrekestelling op 16 november verstuurd was. JB ontving echter geen aangetekende post met het besluit daarover. Op  8 januari 2019 kreeg JB een e-mail met daarin een kopie van het besluit van de AP van 3 december 2018. JB gaf bij de AP aan dat het besluit 40 dagen te laat aan haar kenbaar was gemaakt. Ze vroeg aan de AP hoe het kon dat zij geen aangetekende post ontvangen had. De AP stuurde haar daarop een fotokopie van een envelop waarvan de AP stelde dat die naar haar gestuurd zou zijn. Deze vensterenvelop met barcode bleek echter toe te behoren aan een ander poststuk, gericht aan een ander op een ander adres. Daar is het niet in ontvangst genomen maar retour AP gezonden.

Hardnekkig

Om het nog ingewikkelder te maken verklaarde PostNL schriftelijk aan JB dat de brief verkeerd gesorteerd was, op het andere adres ook niet bezorgd was maar teruggestuurd was. De AP bleef, ook ter rechtszitting bij de bestuursrechter, hardnekkig volhouden dat zij door aangetekende verzending het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt had. De AP redeneerde dan ook dat ze niet meer dan een dwangsomvergoeding voor drie dagen verschuldigd was aan JB.

Uitspraak bestuursrechter

De bestuursrechter kwam tot een totaal ander oordeel. Die beargumenteerde met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State dat de AP foutief redeneerde. Volgens die jurisprudentie(ENLI:NL:RVS:2018:2865) dient, indien een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent te worden onderzocht of het stuk door PostNL op rechtmatige wijze is bezorgd aan het adres van de belanghebbende. Daarom moet de ontvangst(dan wel de mogelijkheid daartoe) van belang worden geacht. De rechter in de zaak van JB tegen de AP hield het er dus op dat het aangetekend verzonden besluit JB buiten haar toedoen niet heeft bereikt. Dat laat de rechtbank voor rekening en risico van de AP. Aangezien JB pas op 8 januari 2019 officieel het besluit ontving vond de rechter dan ook dat een dwangsomvergoeding verschuldigd was over de termijn van 30 november 2018 tot 8 januari 2019. De rechter oordeelde dan ook dat de AP niet 60 euro maar 1262 euro aan dwangsomgeld aan JB verschuldigd was. Bovendien veroordeelde de rechter de AP ook tot betaling van de griffiekosten aan JB, zijnde 174 euro.

Tegenzin van AP

Waarom is deze uitspraak van belang om in dit blog aandacht voor te vragen? Dat komt door de wijze waarop de AP het handhavingsverzoek van JB vanaf het begin heeft aangepakt. Vooral de tegenzin om handhavend op te willen treden valt op. Dat deed de AP op een wijze die een privacy-toezichthouder onwaardig is. Allereerst bleek de AP ongenegen een besluit te willen nemen op haar handhavingsverzoek d.d. 24 maart 2017. Het “onderzoek” sleepte zich bijna twee jaar voort. Het handhavingsverzoek werd op formele gronden afgewezen. De AP vond dat zij toen JB, met een beroep op de wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, een besluit wenste, het onderzoek daardoor niet kon afronden.

Tegenzin(2)

Op 10 januari 2019 tekende JB beroep aan bij de AP tegen de afwijzing van haar handhavingsverzoek. Op 21 mei 2019 kwam de AP met een voorlopige versie van het onderzoeksrapport, dat op 26 juli 2019 definitief vastgesteld. De AP concludeerde dat SBG persoonsgegevens over de gezondheid had verwerkt. De bevindingen uit het onderzoeksrapport hebben de AP aanleiding gegeven om op 29 mei 2019 een voornemen tot handhaving uit te brengen, gericht aan zowel SBG als aan Akwa GGZ, inhoudende een verwerkingsverbod. Akwa GGZ plaatste de dataset vervolgens in quarantaine en besloot deze eigenstandig op 8 augustus 2019 te vernietigen.

In de tussentijd diende JB ook het bovengenoemde bezwaarschift in bij de AP over de hoogte van de dwangsom.

Tegenzin(3)

Dit bezwaarschrift wees de AP af en was reden voor JB om naar de bestuursrechter te stappen. Ruim een jaar na het beroep van JB op de wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, op 16 december 2019, bracht de AP in een persbericht naar buiten Akwa GGZ een enkel handhavende maatregel op de leggen in de vorm van een berisping omdat SBG als rechtspersoon niet meer bestaat.

Waarom?

Het is ook de vraag waarom de AP het ook tot deze zaak bij de bestuursrechter heeft laten komen? Het zou alleszins redelijk zijn geweest als de AP eigenstandig tot de conclusie was gekomen dat er financiële consequenties vast zaten aan een zeer evidente verkeerde postbezorging van haar besluit. Het aan laten komen op een zaak bij de bestuursrechter riekt dan ook naar een vorm van powerplay.

Het lijkt, de zaak vanaf 2017 overziend, dat de AP eigenlijk met de hele zaak vanaf het begin in haar maag zat en bestaande belangen van spelers bij VWS, de zorgverzekeraars en de GGZ niet in de weg wilde zitten.

En zeker niet een individuele klager gelijk wilde geven.

W.J. Jongejan, 8 juni 2020

Afbeelding van ElisaRiva via Pixabay

3 reacties op “Gezichtsverlies voor de AP in de nadagen van een slepende zaak bij bestuursrechter

  1. Wow, wat een geweldige vastberadenheid en doorzettingsvermogen van Judica. Wat een krompraterij, koppigheid en arrogantie van de AP. Hoe zorg je ervoor dat de burger het vertrouwen in de overheid verliest.
    Wim wat een duidelijke uiteenzetting. Dank

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.