20 jul

Rechtbank maakt gehakt van opvatting Stichting Benchmark GGZ over Btw-betaling

gehaktmolen

Uitgerekend op de dag dat het kort geding van de actiegroep Stop Benchmark ROM tegen de Stichting Benchmark GGZ (SBG) in Utrecht diende, donderdag 13 juli 2017, deed de Rechtbank Gelderland uitspraak in twee zeer opvallende zaken (AWB 16/2863 en AWB 16/2862). Het betreft een conflict tussen de belastingdienst en SBG over het afdragen van Btw door de SBG over door haar verleende diensten. Eiser was niet de belastingdienst, kantoor Utrecht, maar de SBG die beroep instelde na het afwijzen van een bezwaar. De SBG was namelijk van mening dat over haar werkzaamheden geen Btw verschuldigd was. De uitspraak van de meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland was dat het beroep ongegrond werd verklaard. Het bijzondere aan deze zaak is dat de rechters heel gedecideerd vonnisten over een op zijn zachtst gezegd toch wel trieste en gênante redenatie van de SBG. Die redenatie betrof naast de gedachte dat de SBG geen onderneming zou zijn in de zin der wet, en zij bovendien zou vallen onder een aantal vrijstellingen van Btw-betaling. Puntsgewijs zal ik daarop ingaan.

Twistpunt

Zoals gezegd was het twistpunt het al dan niet betalen van Btw. De belastingdienst had over het derde kwartaal 2011 een aanslag van € 43.046 aan Btw opgelegd. Op jaarbasis zou dat € 172.184 zijn. De SBG was het daar niet mee eens. Ze is in 2011 opgericht en zegt als doelstelling te hebben het zonder winstoogmerk als een ‘trusted third party’ voor de geestelijke gezondheidszorg(GGZ) te benchmarken op het gebied van behandeleffect en klanttevredenheid. Voor de duidelijk zij vermeld dat de SBG volledig door Zorgverzekeraars Nederland(ZN) gefinancierd wordt. Voor 2011 en 2012 ging dat om 2,2 miljoen euro per jaar.

Onderneming

De rechtbank was het volledig oneens met de opvatting dat de SBG geen onderneming zou zijn. De rechters oordeelden dan ook dat het een dienstverlenende onderneming is die gewoon Btw-plichtig is over de verleende diensten. De stelling van de SBG dat zij geen winst beoogt en geen commerciële nevenactiviteiten mag verrichten maakt het voorgaande niet anders.

Sociaal-culturele vrijstelling

De SBG beriep zich op de toepasselijkheid van sociaal-culturele vrijstelling voor het betalen van omzetbelasting. De rechtbank oordeelde dat de SBG geen erkenning had als instelling van sociale aard en dat haar diensten niet nauw samenhangen met de sociale zekerheid. Daarom oordeelden de rechters ook negatief over vrijstelling op genoemde gronden. Het is niet goed te begrijpen waarom de SBG een beroep deed op deze vrijstelling.

Koepel-vrijstelling

De SBG redeneerde ten aanzien van dit punt als volgt. Zij verricht diensten voor zorginstellingen en zorgverzekeraars en beschouwt deze als leden van de koepel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de prestaties van de SBG niet rechtstreeks nodig voor het verrichten van de prestaties door de zorginstellingen en de zorgverzekeraars. De rechters komen dan ook tot de conclusie dat de koepelvrijstelling niet van toepassing is, omdat de diensten van de SBG niet rechtstreeks nodig zijn voor de prestaties van de zorginstellingen en de zorgverzekeraars.

Kwaliteit

Over de claim van het werken aan kwaliteitsverbetering in de GGZ doet de rechter een bijzondere en belangwekkende uitspraak. Hier zegt de rechtbank:

“Hoewel kwaliteitsbewaking van de ggz rechtstreeks nodig is voor de prestaties van de zorginstellingen en daarvoor onontbeerlijk is, kan ditzelfde niet worden gezegd van benchmarking. Dat zorginstellingen de benchmarkprestatie afnemen omdat zij met behulp daarvan aan kwaliteitsbewaking willen doen is niet voldoende. Die kwaliteit kan ook op andere wijzen bewaakt worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat de zorginstellingen niet dezelfde mate of kwaliteit van gezondheidszorg zouden kunnen leveren zonder gebruik te maken van benchmarking. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat andere wijzen van kwaliteitstoetsing, zoals intercollegiaal overleg, evenzeer een bijdrage aan kwaliteit leveren.”

Medische vrijstelling

Ronduit gênant wordt het als de SBG vrijstelling van omzetbelasting vraagt op medische gronden. Ze deed daarbij een beroep op artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OB en artikel 132 eerste lid, aanhef en onder b, van de Btw-richtlijn. Artikel 11 houdt in dat men zich bezighoudt met het verzorgen en verplegen van een in instelling opgenomen personen, alsmede handelingen die daar nauw mee samenhangen zoals het verstrekken van spijzen, dranken, medicijnen etc. Artikel 132 van de Btw-richtlijn omschrijft dat min of meer hetzelfde. Misschien dat in de kantine van de SBG spijzenen en dranken te krijgen zijn, maar dat maakt het geen zorginstelling. In de verste verte is de SBG niet tot een dergelijke instelling te rekenen. De rechters veegden dit dan ook van tafel.

Vonnis

De vaststelling van Btw-verplichting door de rechters betekent vooral ook dat “het SBG-gebeuren” en meer precies dus de samenwerking tussen de SBG en het ZN, als verzekeringskartel, door de rechter als zakelijke samenwerking/transactie tussen onafhankelijke ondernemingen is bestempeld, en dus niet als Btw-vrijgestelde zorgverlening, of zorgverlening gerelateerde service.

 Raadsel

Het is mij een raadsel waarom de SBG, volledig betaald door ZN, deze actie tegen de belastingdienst in gang heeft gezet en waarom ZN in dit kader niet de SBG van deze beroepszaak afgehouden heeft.

In de het licht van de miljarden aan verzekeringsgeld die de zorgverzekeraars beheren en de in de afgelopen jaren gemaakte winsten is een verhoging van de betalingen van ZN aan de SBG om Btw-afdracht te faciliteren een peanut. Met krap twee ton op jaarbasis bovenop de huidige betaling aan de SBG had dit forse gezichtsverlies vermeden kunnen worden.

Het is zoals de Engelsen zeggen: “Penny-wise but pound-foolish”

W. J. Jongejan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *