Singing the corona-app-blues: The trouble blues

singingBij het bestrijden van de coronacrisis hebben veel regeringen hun hoop gevestigd op een technocratisch hulpmiddel: de corona-app op de smartphone. Ondanks alle inspanningen blijkt er constant sprake van een zeer beperkt nut. Daarbij speelt ook constant “gedoe” met en rond zo’n app. In Nederland zagen we in het weekend van 19 en 20 april 2020 met de appathon van het ministerie van VWS een mislukte poging om tot een corona-app te komen. Daarna startte VWS met de ontwikkeling van de Corona-melder-app die misschien begin september 2020 van start gaat. In het buitenland loopt het allemaal ook erg moeizaam. Nergens meldt men een duidelijk succes van een corona-app. Vaak is er sprake van problemen rond de werking van een app. Ik schreef er al vaker over(A, B, C ). De afgelopen week kwamen er weer diverse berichten over problemen met een corona-app in Australië en Duitsland.

Australië

In dat land is de corona-app COVIDSafe medio april 2020 gelanceerd. Het betreft hier een app die werkt volgens het zogenaamde gecentraliseerde principe. Daarbij neemt de app contact op met een centrale computer van zorgautoriteiten om mensen die gedurende enige tijd binnen bluetooth-bereik van een positief geteste corona-patiënt waren, daaraan door te geven. Op 27 mei 2020 meldde ik dat deze app 6 miljoen Australiërs de app gedownload hadden. Toen al was duidelijk dat het niet geleid had tot een zinvolle bijdrage van de opsporing van nieuwe corona-gevallen. Op 20 juli meldt de nieuwssite 9News dat de app tot nu toe 72 miljoen Australische dollars heeft gekost. Dat is met een wisselkoers van 1 Australische dollar voor 0,61 euro een bedrag van 42,7 miljoen euro. En dat voor een app die geen contacten heeft opgespoord die niet anderszins al bekend waren door bron- en contactonderzoek.

Duitsland

In dat land is de Corona-Warn-app op 16 juni  2020 gelanceerd. Dit is een zogenaamde decentraal werkend app. Daarbij worden de data alleen op de smartphone vastgelegd en bestaat geen connectie met een centrale database. De uitrol vindt plaats onder supervisie van het Robert Koch Institut, het Duitse equivalent van ons RIVM. Op een bevolking van 83 miljoen mensen is de app al 15,8 miljoen keer gedownload. Dat is best veel. Hoeveel mensen hem daadwerkelijk geactiveerd hebben en hoeveel ervan de bluetooth-functie, nodig voor contactdetectie, daadwerkelijk aan hebben staan weet niemand.

Kinderziektes(1)

De Duitse app vertoont nog wel wat kinderziektes. Er verschijnen vreemde foutmeldingen, zoals ‘de app werkt niet in dit gebied’. Die zijn ook na een maand nog niet verholpen. Daarnaast is er kritiek op het proces van het verifiëren van een positieve test. De bedoeling is dat een laboratorium een QR-code naar de positieve gebruiker kan sturen, via de app. Die zou die code dan meteen kunnen invoeren en daarmee worden de mensen waarmee hij in contact was meteen op de hoogte gesteld. Nu moet dat nog telefonisch.

Kinderziektes(2)

Grote aantallen bezitters van Android- en Huawei-smartphones werden de afgelopen weken te laat of helemaal niet gewaarschuwd over een mogelijk contact met een coronavirus-positief persoon. Dit kwam omdat het Android-besturingssysteem het automatisch bijwerken van de app uitzette als die niet op de voorgrond actief was. Sinds afgelopen week zou het probleem door een update van de Android-software verholpen zijn. Gebruikers krijgen nu de instructie bij het openen van de app dat ze naar ze naar de Instellingen van het Android-besturingssysteem moeten gaan. Daar moeten ze dan de “prioritised background activity” optie aanzetten. Hetzelfde probleem deed zich overigens ook voor bij iPhone-bezitters. Daar zou dat probleem inmiddels ook verholpen zijn. Overigens is eenzelfde probleem ook al in Australië in mei 2020 bij iPhones vastgesteld.

Effectiviteit meten onmogelijk

Een probleem op zich is om ooit te kunnen zeggen hoe goed een decentraal werkende app bijgedragen heeft aan het opsporen van corona-contacten. De uitwisseling van data vindt alleen tussen de betrokken smartphones plaats zonder koppeling aan een externe database. Daardoor is nooit een centraal overzicht te creëren, wat bij een centraal werkende app wel kan. Bij een decentraal werkende app kan men alleen m.b.v. informatie van bron-en contact-opsporingsorganisaties achteraf horen of daar contacten bij zaten die n.a.v. een app-melding zich lieten testen.

Nederland

Het is nog steeds de bedoeling van de minister van VWS om de Nederlandse, decentraal werkende corona-app, de CoronaAndroidMelder, begin september 2020 te lanceren. Men kan dan gebruik maken van het opsporen en oplossen van kinderziektes bij soortgelijke buitenlandse corona-apps. Eén ding is wel zeker, kinderziektes die apps eigenlijk allemaal wel hebben, leiden altijd tot een verminderde acceptatie, verminderd gebruik en minder nut.

We gaan het zien!

W.J. Jongejan, 31 juli 2020

Afbeelding van Steve Crowhurst via Pixabay

Lightnin’ Hopkins – The Trouble Blues

 




Algemene Rekenkamer: essentieel onderdeel wet tegen zorgfraude onrechtmatig gefinancierd

onrechtmatigOp 3 juli 2020 stuurde minister de Jonge(VWS) het ontwerp Wet bevordering samenwerking en rechtmatige zorg(Wabrz) naar de Tweede Kamer(TK). De behandeling ervan zal pas na het Kamerreces, op 9 september aanvangen. Op de website van de Tweede Kamer verschijnen naast de wetstekst, de memorie van toelichting en het advies van de Raad van State nu ook andere stukken over dit wetsontwerp. Zo ook twee stukken(A, B ) van de Algemene Rekenkamer(AR) over onderdelen van het wetsontwerp Wbsrz, wetsnummer 35515. Men zou kunnen zeggen dat de AR alleen financiële interesse heeft, maar niets is minder waar. Ook bestuursrechtelijke en inhoudelijk controle beschouwt ze als haar taak. Dat bleek o.a. toen de AR gehakt maakte van het gebruik van Routine Outcome Monitoring (ROM)data als basis van zorgbekostiging in de GGZ. Ik schreef daar op 27 november 2017 over. Nu stelt de AR dat de financiering van het Inlichtingenbureau onrechtmatig is.

 Hoe zit Wbsrz in elkaar?

Eigenlijk begon het wetsontwerp met een valse start in juli 2018 toen bij de internetconsultatie bleek dat VWS uit was op een grootschalige doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Het wetsontwerp werd daarna herzien. Men wil met de Wbsrz een Waarschuwingsregister zorgfraude aanleggen. Het is bedoeld om zowel natuurlijke personen als rechtspersonen te registreren waarvan de gerechtvaardigde overtuiging bestaat dat zij fraude hebben gepleegd, om andere instanties voor deze partijen te waarschuwen.  Verder wil VWS een stichting Informatie Knooppunt Zorgfraude(IKZ) oprichten. Daarbinnen moet dan informatie afkomstig van CIZ, de colleges van B&W van gemeenten, de IGJ, inspectie SZW, de rijksbelastingdienst, waaronder de FIOD, de zorgautoriteit en zorgverzekeraars verzameld en verrijkt worden. Er bestaat nu al een IKZ, maar als een samenwerkingsverband van de hierboven genoemde veldpartijen. Een organisatie om die data te kunnen verzamelen binnen het IKZ is het Inlichtingenbureau(IB), of beter gezegd de Stichting Inlichtingenbureau.

Het Inlichtingenbureau(IB)

Dat is een private onderneming die 2000 opgericht is door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Vereniging Nederlandse Gemeenten(VNG). Het is onder meer opgericht voor de coördinatie en dienstverlening ten behoeve van gemeenten bij de verwerking van (persoons) gegevens, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van gemeentelijke taken in de sociale zekerheid. Het IB vervult in dat domein sinds 2000 een knooppuntfunctie voor de gegevensuitwisseling tussen gemeenten onderling. Hierbij is het IB de koppeling tussen enerzijds gemeenten en anderzijds het IKZ. Het IB verricht geen inhoudelijke verwerkingen van gegevens zoals verrijking van de data.

Gevoelige persoonsgegevens passeren het IB. Het is niet geheel toevallig dat er een stichting van gemaakt is. Door die constructie zijn de bezigheden van het IB niet naderhand voor WOB-verzoeken benaderbaar. Zie hiervoor ook.

IB onrechtmatig gefinancierd

In haar opmerkingen op 18 december 2019 over het wetsvoorstel maakt de AR een frappante opmerking over het IB.

Daar staat:

Tot slot merken wij nog het volgende op. Volgens de memorie van toelichting bij het ontvangen wetsvoorstel wordt het Inlichtingenbureau voor een deel gefinancierd vanuit het Gemeentefonds. Dit vinden wij opmerkelijk. Op basis van de Financiële-verhoudingswet moeten de uitgaven uit het Gemeentefonds ten goede komen aan de gemeenten; betalingen vanuit het Gemeentefonds aan organisaties merkt de Algemene Rekenkamer aan als onrechtmatig.”

De AR heeft als kerntaak te bezien of uitgaven van de overheid doelmatig en rechtmatig zijn.   Rechtmatig omdat het in overeenstemming met de genomen regels en besluiten moet zijn, doelmatig om na te gaan of de bestede uitgaven ook daadwerkelijk het gewenste effect hebben gehad.

In de strijd tegen zorgfraude maakt de overheid volgens de AR gebruik van een organisatie  onrechtmatig gefinancierd is, dus onrechtmatig bestaat.

Onrechtmatige constructie

Het is niet zo dat de AR op eigen initiatief het wetsontwerp van commentaar voorziet. VWS moet wel om advies vragen. Dat heeft te maken met de Comptabiliteitswet. Daarin staat in artikel 4.7.lid 4 dat de minister bij het willen uitvoeren van een privaatrechtelijke rechtshandeling advies MOET vragen aan de AR. Die privaatrechtelijke handeling is het oprichten van de Stichting IKZ. De AR laat nu in het advies weten dat de overheid zelf gebruik wil maken van een onrechtmatig gefinancierde privaatrechtelijke organisatie, zijnde het Inlichtingenbureau, om onrechtmatig besteed zorggeld op te sporen. Hoe gek kan je het hebben.

De overheid dient geen onrechtmatig gefinancierde organisaties op te richten en in haar beleid te incorporeren.

Het moge duidelijk zijn dat de Tweede kamer van deze laakbare constructie goede notitie dient te nemen en corrigerend dient te handelen.

W.J. Jongejan, 27 juli 2020

 Afbeelding van DoomSlayer via Pixabay, aangepast door W.J. Jongejan

 




Autoriteit Persoonsgegevens maakt zich langzaam los uit houdgreep overheid

houdgreepDe Autoriteit Persoonsgegevens(AP) is onafhankelijk toezichthouder op alle verwerkingen van persoonsgegevens binnen Nederland. Tot begin 2019 was de AP nauwelijks te betrappen op een ferm, onafhankelijk standpunt ten aanzien van bewindslieden in het kabinet, ministeries en instituties met een sterke relatie met die overheid. Onafhankelijk, maar gefinancierd vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid, had ze door een beperkt budget vaak ook maar een zeer beperkte slagkracht. Met het ingaan van de Algemene Verordening Gegevensbescherming(AVG) op 25 mei 2018 kreeg de AP door de Uitvoeringswet AVG  krachtiger instrumenten in handen om handelend op te treden, zowel richting burgers maar ook richting overheidsinstantie of -orgaan. De AP kreeg daarmee de mogelijkheid om substantiële boetes op te leggen en zelfs bestuurlijke boetes uit te delen. Eind 2019 en in het eerste half jaar van 2020 zie ik de AP fermere standpunten innemen richting centrale overheid die haar voorheen in een houdgreep had.

Boetes

Het fermer optreden zien we terug in het opleggen van forse boetes aan bedrijven en organisaties. Zo  kreeg taxi-onderneming Über eind 2018 een boete van 600.000 euro vanwege een verzwegen mega-datalek. Het Haga-ziekenhuis in Den Haag kreeg vorig jaar een boete van 460.000 euro wegens de slechte beveiliging van patiëntgegevens. Tennisbond KNLTB werd in maart 2020 aangeslagen voor 525.000 euro. Contactgegevens van leden bleken voor marketingdoeleinden te worden verkocht aan een online tenniswinkel en een loterij. Ook beboette de AP een bedrijf met 725.000 euro vanwege het afnemen van vingerafdrukken van werknemers om hun werktijden te registreren. Afgelopen  week nog kreeg het Bureau Krediet Registratie een boete van 830.00 euro omdat die geld vroeg voor digitale inzage van vastgelegde gegevens.

Berisping

Daarnaast kreeg de organisatie Akwa GGZ(Alliantie Kwaliteit in de Geestelijke Gezondheidszorg )een berisping het verwerken van persoonsgegevens over de gezondheid. Het betrof een eindpunt in een slepende zaak rond onvoldoende geanonimiseerde medische gegevens(ROM-data), zijnde bijzondere persoonsgegeven. De uitspraak was opvallend omdat die tegen een aanzienlijk belang van  het ministerie van VWS inging. Die stuurt al lange tijd via omwegen aan op het gebruik van genoemde data voor zogenaamde kwaliteitsmeting en -bevordering.

Zelfbewuster tegen VWS

Sinds maart dit jaar is het duidelijk dat de AP zich evident ontworstelt uit de voorheen beknellende houdgreep van ministeries. Tijdens de appathon om een corona-track-and-trace-app te maken in het weekend van op 18 en 19 april 2020, georganiseerd door de top van het ministerie van VWS, keken medewerkers van de AP, waaronder mr.dr. M.Ramlal, hoofd systeemtoezicht, permanent mee. Al op 20 april 2020 laat de AP een zeer gedetailleerd rapport erover verschijnen met als conclusie dat geen van de uitverkoren apps de toets der kritiek van de AP kon doorstaan. Daarna deden zich nog twee voorvallen voor in het kader van de corona-problematiek. Het betreft namelijk het voorstel van de regering, ingediend door minister Hugo de Jonge van VWS om de Telecom-wet te wijzigen teneinde mobiliteitsdata van burgers te verkrijgen.

Telecom-wet

Begin mei 2020 had Hugo de  Jonge een aanvaring met de AP over het voornemen van het gebruik van Telecom-data door het RIVM.   Nog voordat de AP een oordeel gaf liet hij in een brief aan de Tweede Kamer weten dat de AP akkoord ging met dit delen van Telecom-data. Hetgeen niet zo was. Het veroorzaakte nogal wat consternatie. Daarna moest de Jonge zijn woorden intrekken en moest hij op het advies van de AP opvolgen om er een serieus wetswijzigingsvoorstel voor te maken. Dit voorstel ondervindt nu op 3 juli 2020 weer ondubbelzinnige kritiek en een afwijzing door de AP. De voorzitter van de AP. Aleid Wolfsen, maakt er in de pers op de laatste dag voor het zomerreces van de Tweede Kamer een duidelijk punt over.

AP en belastingdienst(1)

Richting de belastingdienst is de AP sinds het ingaan van de AVG in 2018 zeer kritisch bezig.  Knarsetandend moest de AP toezien hoe de belastingdienst pas een jaar na het ingaan van de AVG haar systemen AVG-proof had ingericht. Dat was een overheidsdienst onwaardig. Daarnaast was de AP nog niet al te daadkrachtig om het gebruik van het BSN in het BTW-nummer van eenmanszaken te doen stoppen. In 2018 constateert de AP dat zoiets niet kan. Om te zeggen dat de belastingdienst tot 1 januari 2019 de tijd had om het aan te passen en pas per 1 januari 2020 een verbod aan te kondigen. Je ziet ze gewoon niet durven doorpakken.

AP en belastingdienst(2)

Ondertussen startte in 2019 i.v.m. de toeslagenaffaire een onderzoek door de AP naar de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zoals nationaliteit bij de Belastingdienst. Daar komt nog een oordeel over. Zeer recent maakte de AP duidelijk dat zij bijzonder verontrust is over de vermoedelijke niet-naleving van de AVG inzake de Fraude Signaleringsvoorziening(FSV) van de belastingdienst, een applicatie om signalen van vermoedens van fraude mee te registreren. Bestuurslid C.E. Mur laat namens de AP aan Staatssecretaris van Financiën Hans Vijlbrief dan ook weten dat de AP ernstige zorgen heeft over het niet naleven van de AVG binnen de belastingdienst. En zegt er en passant bij dat de AP het FSV-gebeuren geen op zich zelf staand incident vindt.  Er tekent zich hier ook een duidelijke stellingname richting een overheidsorgaan af door de AP.

Lofwaardig en geloofwaardig

Het is te prijzen dat de AP met de AVG in de hand thans veel duidelijker stelling lijkt te nemen richting de hand die haar voedt, namelijk de rijksoverheid. Het is iets wat ook de geloofwaardigheid van de AP in de ogen van de burgers verder ten goede zal komen.

Een toezichthouder die onder één hoedje met de rijksoverheid speelt is de spreekwoordelijke dood in de pot.

W.J. Jongejan, 14 juli 2020

Afbeelding van Mirko Zax via Pixabay




Herzien wetsvoorstel zorgfraude maakt toch rondpompen medische informatie mogelijk

herzien Op de laatste dag voor het zomerreces kreeg de Tweede Kamer van de minister van VWS het wetsvoorstel ter bestrijding van zorgfraude. Het gaat om het  herziene wetsvoorstel Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg.et|Het Het wetsnummer is 35515. Het is herzien omdat eerder in 2018 een internetconsultatie-ronde plaatsvond, die niet bijster goed afliep voor Hugo de Jonge, minister voor VWS. Het leverde hem een storm van kritiek op vanwege het grootschalig willen doorbreken van het medisch beroepsgeheim. Hij kreeg er zelfs de de Big Brother Award 2018 van Bits of Freedom voor. Destijds introduceerde dit wetsvoorstel een wettelijke verplichting voor gemeenten, Wlz(Wet langdurige zorg)-uitvoerders en zorgverzekeraars om elkaar tot personen herleidbare patiëntgegevens te verstrekken ter bestrijding van fraude in de zorg. In de herziene versie staat dat geen gegevens verzameld worden die onder het medisch beroepsgeheim vallen. Toch kan men met de wet in de hand medische gegevens uitwisselen. 

Heisa

Los van dat men bij fraudebestrijding het medisch beroepsgeheim wilde doorbreken had het concept-wetsontwerp in de consultatieronde nog meer vreemde eigenschappen. Zo bevatte het wetsontwerp dat over zorgfraude ging geen definitie van het begrip zorgfraude zelf . Het aantal instanties waartussen de onder het medisch beroepsgeheim vallende informatie kon worden uitgewisseld was bijzonder groot. Het betrof het CIZ(Centrum Indicatiestelling Zorg), de gemeenten, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst(FIOD), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Inspectie SZW, particuliere ziektekostenverzekeraars, de rijksbelastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank, Wlz-uitvoerders, de zorgautoriteit en zorgverzekeraars.

Sneaky

In het nu herziene wetsvoorstel 35515 staat in artikel 1.2:

Op grond van deze wet worden geen gegevens over gezondheid verstrekt indien op deze gegevens een geheimhoudingsplicht rust als bedoeld in artikel 457 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.”

Dat lijkt het doorbreken van het medisch beroepsgeheim uit te sluiten. Wie nu denkt dat er dus geen medische gegevens uitgewisseld komt bedrogen uit. In de Memorie van Toelichting bij 35515 staat op pagina 31 onder hoofdstuk 5.3 echter het volgende:

“Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat indien een zorgbehoevende daarvoor toestemming geeft, mogelijk wel gegevens waarop het medisch beroepsgeheim rust zouden kunnen worden uitgewisseld”.

An offer you can’t refuse

Een zeer bekende scene uit de film de Godfather l waar Don Vito Corleone bevat de beroemde woorden: “I’m gonna do him an offer he can’t refuse”. Dat speelt uiteraard bij de vraag aan een patiënt als men bij fraudebestrijding vraagt/aandringt of die bereid is zijn/haar toestemming te geven om medische data te delen. Dat delen gaat dan om het uitwisselen van die medische data tussen de samenwerkingspartners die in het huidige wetsvoorstel 35515 beschreven staan. Dat gaat dan om het CIZ, de colleges van B&W van gemeenten, de IGJ, inspectie SZW, de rijksbelastingdienst, waaronder de FIOD, de zorgautoriteit en de zorgverzekeraars. Er zijn vele manieren mogelijk om een patiënt te doen bewegen toestemming te geven de medische data te doen uitwisselen met en tussen vele instituties. Al was het maar met een opmerking dat als men dat niet doet de patiënt zelve onderwerp zou kunnen worden van fraudeonderzoek.

Verkeerde notie van opheffen medisch beroepsgeheim    

Het medisch beroepsgeheim betreft informatie die is gewisseld tussen arts en patiënt. De houder van het beroepsgeheim is de arts op wie deze plicht rust krachtens artikel 457 van het Burgerlijk Wetboek(boek 7) of artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel 1.2 in het wetsvoorstel over bestrijding van zorgfraude mag dan wel zeggen dat geen gebruik gemaakt wordt van gegevens over gezondheid als op die data een geheimhoudingsplicht rust. Toch zegt de minister zorgdata uit te willen wisselen als de patiënt toestemming geeft. Daarbij kan men zich gelijk afvragen wie de medische gegevens dan aanlevert aan de onderzoekende instanties: arts, of patiënt. De arts kan met toestemming van de patiënt om zorgdata met niet-behandelaars te delen  nimmer gedwongen worden om het beroepsgeheim te doorbreken door zorgdata aan te leveren. De patiënt heeft bij aanlevering van zorgdata geen zicht over het verspreidingsgebied.

Plicht arts

Wat betreft de toestemming van de patiënt om zorgdata te delen met niet-behandelaars dient men te beseffen dat die toestemming het medisch beroepsgeheim niet noodzakelijkerwijs opheft. Een arts heeft de plicht zich af te vragen of het beschikbaar stellen van zorgdata aan derden wel in het belang is van de patiënt zelf. De geheimhouder kan dan ook eigenstandig beslissen het beroepsgeheim over bepaalde zorgdata niet op te heffen.  Door toch gebruik te willen maken van medische informatie door die uitgebreid te gaan uitwisselen met instanties komt het artikel 1.2 zeer hypocriet over.

Minister Hugo de Jonge heeft weer een onvoldragen wetsontwerp aangeleverd.

W.J. Jongejan, 8 juli 2020

Afbeelding van chitsu san via Pixabay

Het wetsvoorstel Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg

De memorie van toelichting

Advies van de Raad van State

Nader rapport van VWS op advies Raad van State




Gaat de Autoriteit Persoonsgegevens nu handhaven richting VWS over Telecom-data-wet?

handhavenDe afgelopen twee dagen zien we dat een heel apart fenomeen zich voordoet. Minister Hugo de Jonge van het ministerie van VWS wil door een wijziging van de telecomwet het voor het RIVM mogelijk maken de bewegingen van grote groepen burgers te monitoren. De Autoriteit Persoonsgegevens(AP), de officiële privacy-toezichthouder van de overheid, brengt bij monde van haar voorzitter Aleid Wolfsen op 3 juli 2020 bij de pers een afwijzend oordeel naar buiten. Hij was daar zeer expliciet in: “Huidig wetsvoorstel telecomdata delen niet invoeren.Wie schetst mijn verbazing als minister de Jonge diezelfde dag laat weten het wetsvoorstel gewoon toch naar de Tweede Kamer te sturen. Voor de bestrijding van het corona-virus is het gewoon nodig dat het RIVM de locatiedata van telefoons mag gebruiken, zegt minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid tegen Business News Radio(BNR) op de kritiek van de Autoriteit Persoonsgegevens op het kabinetsplan.

Eerdere aanvaring

Begin mei 2020 had Hugo de  Jonge ook al een aanvaring met de AP over het voornemen van het gebruik van Telecom-data door het RIVM.   Nog voordat de AP een oordeel gaf liet hij in een brief aan de Tweede Kamer weten dat de AP akkoord ging met dit delen van Telecom-data . Hetgeen niet zo was. Het veroorzaakte nogal wat consternatie. Daarna moest de Jonge zijn woorden intrekken en moest hij op het advies van de AP opvolgen om er een serieus wetswijzigingsvoorstel voor te maken. Dit voorstel ondervindt nu op 3 juli 2020 weer ondubbelzinnige kritiek en een afwijzing door de AP. Overigens loopt de communicatie van de AP met Hugo de Jonge over het wetsvoorstel via de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat Mona Keijzer. De telecomwet valt namelijk onder EZK en de corona-bestrijding onder VWS.

Kritiek AP nu

De voorzitter van de AP laat weten dat de AP drie grote bezwaren ziet. Hij zegt: “De data zijn niet onherroepelijk en onvoorwaardelijk anoniem, het is onduidelijke waar dit allemaal voor nodig is – je moet echt spijkerharde redenen hebben – en de waarborgen die we hebben geadviseerd zijn niet opgevolgd in de wet.” Volgens Wolfsen sluit de wet op dit moment niet uit dat de veiligheidsdiensten, politie en Justitie bij de data kunnen komen: “Het is te snel gegaan en te weinig precies.”

Volgens Aleid Wolfsen mag de wet op deze manier niet worden aangenomen. “We willen voorkomen dat heel Nederland met een telefoon onder een surveillance wordt gebracht. Dat is echt niet nodig om het virus te bestrijden. Op het moment dat de informatie namelijk wordt gecombineerd met andere gegevens van bijvoorbeeld onderzoekbureaus en opsporingsdiensten, kan er worden herleid naar kleine groepen individuen.”

Astrante minister

Hugo de Jonge laat daarentegen doodleuk weten dat het delen van de telecom-data gewoon door zal gaan. We hebben het nodig, zegt hij en we gaan het gewoon doen. Al met al kan dat sowieso niet meteen. Het wetswijzigingsvoorstel stuurde hij naar de Tweede Kamer(TK), maar die kon het niet voor het inmiddels ingegane reces behandelen. Dat zal dus op zijn vroegst in september gebeuren, aangezien de TK tot en met 31 augustus reces houdt.

Wat gaat AP doen?

De AP is een officiële toezichthouder met als aandachtsgebied de privacy. De vraag is wat een toezichthouder waard is als een minister serieuze bezwaren van de AP naast zich neerlegt. Wolfsen stelt heel duidelijk dat het wetswijzigingsvoorstel in deze vorm niet aangenomen mag worden. Staatsrechtelijk lijkt me dat een zeer curieuze situatie. Een casus waarin de toezichthouder in het volle besef van de ernst van de corona-crisis de privacy van de burger beschermt en geen staatssurveillance wil,  terwijl een minister, mede namens het kabinet toch door wil zetten. De AP kan normaliter handhavend optreden door een boete of een last onder dwangsom op te leggen maar de vraag is of dat kan tegen een ministerie of minister. Als de AP nu niet gaat staan voor datgene waarvoor zij in het leven is geroepen en de zaak op zijn beloop laat, is ze geen knip voor de neus waard.

Eerst schriftelijk reactie zien

Op de website van de AP is nog geen schriftelijk oordeel te vinden over wat haar voorzitter Aleid Wolfsen aan de pers heeft laten weten. Het is zeer interessant om dan te zien hoe het oordeel van de AP officieel geformuleerd heeft en of zij al een oordeel heeft over de laatste reactie van de minister van VWS. Het is overduidelijk waarom  Wolfsen het standpunt van de AP op 3 juli aan de pers liet weten, op de laatste dag voor het zomerreces van de Tweede Kamer. Hij geeft daarmee aan de TK-leden aan dat die goede notitie dienen te nemen van het standpunt van de AP om daarmee een bredere basis te krijgen voor het afwijzen van wat de minister van VWS wil.

W.J. Jongejan, 5 juli 2020

Afbeelding van Clker-Free-Vector-Images via Pixabay




CEG ziet zorgrobots in de langdurige zorg geen personeelstekort oplossen

CEGHet Centrum voor Ethiek en Gezondheid(CEG) publiceerde op 30 juni 2002 het tweede deel van een drieluik over de ethiek van eHealth. Het eerste deel ging over wearables en apps bij preventie. De titel van deel twee was “Robotisering in de langdurige zorg”. Men keek niet naar het gebruik van bijv. operatierobots in de cure, maar specifiek naar sociale robots in de langdurige zorg, de care. De, in ieder geval voor mij niet verrassende, conclusie is dat ruim vijf jaar nadat “zorgrobot” Zora zijn intrede deed er eigenlijk totaal niets veranderd is. Het CEG is zeer duidelijk in haar conclusies. Men stelt onomwonden dat de zorgrobots in de langdurige zorg de hoge verwachtingen nog geenszins waarmaken. Er zijn nauwelijks robots die zorgverleners fysieke taken uit handen nemen. Bovendien zegt het CEG dat de robots voor sociale interactie en cognitieve ondersteuning beperkt zijn in wat ze kunnen.   

VWS

De opdrachtgever van het onderzoek is het ministerie van VWS. Al gedurende meerdere jaren, ingezet door de vorige minister Edith Schippers, zet VWS in op vergaand gebruik van digitale middelen in de zorg. De overheid heeft hoge verwachtingen van de inzet van deze en andere digitale toepassingen in de zorg. Ook op Europees niveau worden innovaties op het gebied van zorgrobotica gestimuleerd. Zorgrobots zouden de kwaliteit van zorg kunnen verbeteren en het probleem van het dreigende tekort aan zorgpersoneel kunnen ondervangen. Dit wensdenken leefde al bij VWS onder de vorige minister Edith Schippers.

Geen vermindering personeel

In de praktijk maken zorgrobots de hoge verwachtingen nog niet waar, stelt het rapport op pagina 7 in de samenvatting. Er zijn nauwelijks robots die zorgverleners fysieke taken uit handen nemen en robots voor sociale interactie en cognitieve ondersteuning zijn beperkt in wat ze kunnen. Bovendien sluiten ze nog niet altijd goed aan op waar in de praktijk behoefte aan is. Dit heeft te maken met de huidige stand van de techniek, maar ook met (gebrek aan) inbedding in de praktijk.

Technology-push

Vaak blijkt een “zorgrobot” niet goed aan te sluiten bij de wensen van zorgontvangers EN zorgverleners. Het CEG stelt terecht dat de ontwikkeling van nieuwe digitale toepassingen nogal eens aangedreven wordt door technologische ontwikkelingen (technology-push) en niet door een duidelijke vraag uit ‘de markt’ (market-pull) (4.3 op pag. 31). Bij technology-push wordt de technologie gepresenteerd als oplossing voor een mogelijk probleem. Dat levert apparaten op die niet altijd even goed aansluiten bij de dagelijkse zorgpraktijk. Als ontwikkelaars geen duidelijke doelgroep voor ogen hebben, of niet aan de voorkant uitvoerig in gesprek gaan met de gebruikers, gaan ze uit van hun persoonlijke aannames. De oplossing kan dan op afstand staan van de daadwerkelijke behoeftes en/of problemen uit de praktijk. Als gebruikers niet voldoende betrokken worden bij de ontwikkeling van zorgtechnologie, heeft het in de praktijk geen toegevoegde waarde, voor de zorgverlener noch voor de zorgontvanger.

Al eerder soortgelijke signalen

Het CEG stelt duidelijk op pagina 27 onder 4.2 dat de zorgrobotica nog in de kinderschoenen staat. Het aardige is dat het CEG een eerder rapport van Jester Strategy uit 2019 aanhaalt. Dat bedrijf deed ook in opdracht van VWS onderzoek naar het gebruik van technologie in de verpleeghuiszorg. De conclusie van Jester Strategy was dat sociale robots op dit moment onvoldoende ontwikkeld zijn en nog niet aan de verwachtingen kunnen voldoen. De acceptatiegraad van zorgrobots is laag. Men werkt nog niet veel met robots in de zorg, al geven verpleegkundigen in de langdurige zorg vaker aan met robots te werken dan die in de geneeskundige zorg. Helaas heeft het rapport van Jester Strategy nauwelijks enige aandacht getrokken.

Privacy

Gelukkig vraagt het CEG-rapport nadrukkelijk aandacht voor het punt van privacy, naast belangrijke zaken als aandacht voor zorgwaarden, betekenisvol contact, waardigheid, autonomie en rechtvaardigheid. Het CEG merkt terecht op dat zorgrobots veel gegevens kunnen meten en opslaan. Veel zorgaanbieders die met robots werken zijn nog op zoek naar manieren voor veilig en verantwoord datagebruik. Het CEG zegt dat daarbij een afweging moet worden gemaakt tussen enerzijds privacy en controle over data en anderzijds de behoefte aan een zinvolle, op het individu aangepaste en efficiënte inzet van de robot. Het acht het van groot belang voor overheid, ontwikkelaars en zorgaanbieders om duidelijke afspraken te maken met betrekking tot terughoudendheid in het verzamelen, opslaan en verwerken van data. Het gaat immers om zeer gevoelige gegevens van zorgverleners en zorgontvangers.

Zeer beperkt nut

Het aardige van het CEG-rapport is dat kijkende naar een aantal ethische aspecten van het gebruik van zorgrobots men de vinger heel duidelijk heeft gelegd op een aantal zeer principiële en onpraktische kanten van het gebruik ervan. Door de samenloop met  de conclusies van het eerdere onderzoek van Jester Strategy  komt deze onderzoeksuitkomst ook duidelijk niet zomaar uit de lucht vallen. Terwijl het doel van het CEG-onderzoek was om ethische zaken te beoordelen, ontkwam men niet aan andere conclusies.

 W.J. Jongejan, 2 juli 2020

Afbeelding van berkemeyer via Pixabay 

Wilt u meer artikelen over de zogenaamde zorgrobots in de Care op deze website lezen? Zoek dan eens met als zoekterm: Zora, Hugo, Eddie, Rosa, Rose, Tessa, Lea en Pepper.

 




Bereidheid VVAA te prijzen om actie behoud vrije zorgverlenerskeuze te ondersteunen

prijzen In de media is de laatste weken onrust onder zorgverleners en patiënten te signaleren over de plannen van minister de Jonge van VWS om op korte termijn de Zorgverzekeringswet(Zvw) te wijzigen. Met die wijziging wil hij het aandeel van de ongecontracteerde zorg in de zorgverlening verkleinen. Daarom grijpt VWS met een nieuw wetsvoorstel in bij vergoedingspercentages voor ongecontracteerde zorg. Dat wil hij bereiken door bij wet zorgverzekeraars toe te staan de bedragen die deze uitbetalen aan ongecontracteerde zorgaanbieders verder te verlagen dan de 75% van de gecontracteerde bedragen die ze nu betaald krijgen. Details over de wijzigingen zijn nog niet bekend wel de marsrichting door subtiel lekken naar geselecteerde media. In 2014 ondersteunde de Vereniging Van Artsen Automoblisten(VVAA) op effectieve wijze de patiënten en zorgverleners die te hoop liepen tegen de toenmalige poging om ook de vrije zorgverlenerskeuze in te perken. Die bereidheid blijkt er nu weer te zijn.

VVAA

Menigeen kent de VVAA als bedrijf dat zorgverleners op veel terreinen verzekeringen levert en hen bedrijfsmatig ondersteunt. Het bedrijft opereert onder de vereniging VVAA die enig aandeelhouder is van het bedrijf VVAA. Deze vereniging kent statutair alleen zorgverleners als leden, geen zorginstellingen. Zie art. 3 en 5 van die statuten. Het doel van de vereniging is volgens artikel 3 van de statuten het behartigen van de materiële en immateriële belangen van de leden. Terwijl de klassieke zorgkoepels zoals de LHV en KNMG de laatste 10 a 15 jaren steeds meer de oren lieten hangen richting overheid, heeft de VVAA het behartigen van de belangen van de zorgverleners de laatste paar jaren serieuzer genomen. De  VVAA roert zich dan ook in het maatschappelijk debat rondom vraagstukken in de zorg.

Opzettelijk onduidelijke communicatie

Vanuit het ministerie van VWS is er al meerdere maanden geen duidelijkheid over de exacte inhoud van het wijzigingsvoorstel van de Zvw. VWS weet dondersgoed dat het een gevoelig onderwerp is. Wat de argwaan van meerdere beroepsgroepen in de zorg deed opvlammen was ook het signaal dat minister Hugo de Jonge het wetsvoorstel eigenlijk in corona-tijd snel door de Staten generaal wil hebben. Naast het ontbreken van de exacte inhoud is ook het tijdstip van inbreng bij de Tweede kamer onduidelijk. VWS lijkt het allemaal liefst voor het zomerreces door de Tweede Kamer gehaald te hebben. Signalen uit het parlement lijken erop te wijzen dat fracties het toch over het zomerreces heen willen tillen.

Zorgvisie

Op 19 juni 2020 staat er dan plotseling een artikel op de website van het online magazine Zorgvisie van de hand van Thijs Rösken. Daarin komen toch wat meer details boven water. Het heeft er alle schijn van dat VWS via een dergelijk zorgmagazine toch op een subtiele wijze de inhoud van wat men wil “lekt” richting het veld. VWS wil volgens het artikel het zogenaamde hinderpaalcriterium niet uit de Zorgverzekeringswet laten verdwijnen. Men legt een duidelijker definitie ervan vast. Dat hinderpaalcriterium is er om te bewaken dat de drempel voor patiënten niet te hoog wordt om met een naturapolis toch naar ongecontracteerde zorgaanbieders te gaan. Waar nu vaak het idee is dat bij vrijwel elke behandeling ongecontracteerde zorg voor ongeveer 75 procent van het normale tarief vergoed wordt, zijn de percentages straks gedifferentieerd.

Artikel 12 en 13 Zvw

In 2014 probeerde d toenmalige minister Schippers, de Zvw te wijzigen door een aanpassing van artikel 13. Oplettende critici van het huidige VWS-beleid wijzen erop dat VWS nu waarschijnlijk ook artikel 12 wil aanpassen. Artikel 13 gaat betreft de bepaling in de wet over het hinderpraalcriterium. Dat de vergoeding niet zo laag mag zijn voor een ongecontracteerde zorgverlener dat de patiënt een financiële  hinderpaal ervaart bij de keuze van de zorgverlener. In artikel 12 staat dat per Algemene Maatregel van bestuur er bepaald kan worden dat zorg alleen vergoed wordt als er sprake is van een contract. Dus dat er zonder contract geen betaaltitel meer is.

Ongecontraceerden eruit werken

Het is overduidelijk dat zowel VWS als de zorgverzekeraars af willen van de ongecontracteerde zorgverleners. In naam zegt men dat veel ongecontracteerde zorgverleners kostenverhogend werkt en fraude bevordert. Bij nadere beschouwing is fraude binnen ongecontracteerden en gecontracteerden, soms een grote partij, even groot. Vergeten wordt dat zorgverzekeraars een aantal ongecontracteerden gezien hun kleinschaligheid niet wil contracteren. Daarnaast speelt ook dat een aantal zorgverleners de regelgeving van de zorgverzekeraars zo zat zijn dat zij liever minder inkomen en minder regelgeving hebben dan het tegenovergestelde. Op deze manier doodt de minister van VWS de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn, die door dood te gaan waarschuwt voor onheil.

Goede zet van VVAA

Het is een goede zet van het bestuur van VVAA om, in navolging van de steun aan patiënten en zorgverleners in 2014 bij de poging tot aantasting van de vrijheid van zorgverlenerskeuze, nu weer steun toe te zeggen.

Het is trouwens een heel aparte actie van minister de Jonge, die recent beleed dat de marktwerking in de zorg zijn beste tijd gehad heeft, om middels een wetsvoorstel de zorgverzekeraars toch meer marktmacht te verschaffen.

W.J. Jongejan, 26 juni 2020.

Afbeelding van OpenClipart-Vectors via Pixabay




Advies SER voor centraal EPD is volkomen wereldvreemd

adviesDe Sociaal Economische Raad(SER) is een gerespecteerd adviesorgaan van de overheid en komt vaak met zinnige rapporten en adviezen. Dat laatste kan niet gezegd worden van wat in het recente rapport van de SER over de zorg geschreven is. Het rapport heet: “Zorg voor de toekomst. Over de toekomstbestendigheid van de zorg”.  Daarin is naast het verwachte personeelstekort in de zorg een ruime plaats ingericht voor de digitale transformatie die de SER als een aanzienlijk deel van de oplossing van houdbaarheid en personele invulling ziet. In het rapport wordt veelvuldig gerefereerd aan het elektronische patiëntendossier(EPD). Men komt daarbij tot de conclusie dat we toe zouden moeten naar één EPD voor alle zorgverleners. In één adem noemt men daarbij de Persoonlijke GezondheidsOmgevingen(PGO’s), de applicaties waarbij de patiënt in de toekomst zelf zijn zorgdata zou moeten kunnen beheren. De gedachten die de SER ventileert getuigen van een zeer beperkte kennis. 

Zienswijze

De SER constateert dat er verscheidene EPD-versies zijn, ook per zorgaanbieder. Verschillende organisatieonderdelen van zorginstellingen hebben de ruimte hebben om hier eigen beslissingen in te nemen. Men vindt dat bij ontwikkeling en (lokale) inrichting van EPD’s de focus tot nu toe gericht geweest is op het zo goed als mogelijk is voldoen aan de wensen van gebruikers en veel minder op het kunnen uitwisselen van gegevens met andere zorgaanbieders. Op pagina 102 komt men met het voorstel door te pakken op het EPD. Men stelt:

Als in een nieuwe kabinetsperiode onvoldoende merkbaar resultaat wordt gerealiseerd, dan is gewenst dat tijdig een alternatief wordt voorbereid en uitgevoerd, namelijk voorbereiding en invoering van een landelijk verplicht systeem voor de gehele zorgsector. De raad wil hiermee ook een stevig signaal geven aan alle betrokken partijen, inclusief de ICT-bedrijven, om spoedig voortgang te bereiken met veilige en makkelijke data-uitwisseling in het belang van de zorgprofessionals.”

 Wereldvreemd

Deze passage en andere daarop lijkende geven aan dat de SER geen goed idee heeft wat de zorgverleners op de werkvloer nodig hebben. Men ziet als oplossing één EPD om zo de communicatie van zorgdata te kunnen uniformeren. Het punt waar de SER veel te gemakkelijk overheen stapt is dat elke type zorgverlener andere eisen stelt aan de inrichting van een EPD. Zodra  men één soort grote gemene deler gaat produceren ontstaat een structuur die in principe alles kan vastleggen van wat alle zorgverleners willen registreren. Het probleem is echter dan dat een dergelijk systeem tegelijk onwerkbaar wordt voor al die zorgverleners. Huisartsen registreren een ander type data in hun HuisartsInformatieSystemen(HIS-sen) dan ziekenhuismedewerkers in hun ZIS en weer totaal andere dan apothekers in hun AIS. En nu heb ik het nog maar over drie typen zorgverleners.

Denkfout

De denkfout die men maakt is dat men het zoekt in uniformering tot één systeem. Een one-size-for-all oplossing, terwijl de oplossing veel beter gezocht kan worden in uniformering van de onderliggende systematiek van EPD’s. Dat kan door gebruik van de Europese/ISO 3606-norm . Met de 13606-EPD standaard kunnen ze elke Archetype/Template gebruiken in 13606-systeeminterfaces en daarmee de onderliggende databases benutten. Iedere leverancier met de eigen soft- en hardware. Dat gebruikers zelf bepalen en vastleggen welke informatie ze nodig hebben voor de opslag, het zoeken, het tonen en het uitwisselen d.m.v. 13606-compliant tools en de Archetype library betekent dat 13606-compliant EPD systemen meteen deze veranderingen, zonder de noodzaak tot programmeren, kunnen doorvoeren. Het veranderen van leverancier wordt een groot stuk simpeler omdat de systeem-interfaces gestandaardiseerd zijn. De IT-leverancier-afhankelijkheid behoort dan tot het verleden. Dit verklaart waarom IT-leveranciers berichtenstandaarden prefereren en zich vaak tegen de ISO 13606 EPD-standaard gekeerd hebben.

Verdienmodel

Het gebrek aan uniformering op een heel basaal niveau door politieke en praktische keuzen in het verleden door het ministerie van VWS heeft tot de huidige situatie geleid. ZorgICT-leveranciers hebben een verdienmodel aan het telkens opnieuw maken van berichtenstandaarden en koppelingen tussen databases. In plaats van één systeem te promoten is het veel zinvoller om te zorgen voor een uniforme datastructuur onder alle bestaande systemen. Op die wijze blijft het gewoon mogelijk dat elke zorgverlener zijn eigen type informatiesysteem heeft zonder verlies aan functionaliteit op de werkvloer en adequate elektronische uitwisseling van zorgdata eenvoudig mogelijk is. Een verlies dat er wel is als één EPD nagestreefd wordt.

Basale voorwaarde vervuld?

De SER concludeert dat de meest basale voorwaarde een naadloos functionerende informatie-infrastructuur is, gebaseerd op internationale standaardisatie en de interoperabiliteit van zorg-ICT. Dat is volgens de SER het fundament van het digitale gezondheidshuis. Pas dan is ook volgens het rapport bijvoorbeeld een landelijk werkzaam EPD/PGO mogelijk. Een zeer groot probleem is echter dat er geen naadloos werkende informatie-infrastructuur bestaat. Er bestaat een AORTA-netwerk waarover dataverkeer plaatsvindt via het Landelijk SchakelPunt(LSP). Dat is geen naadloos werkende infrastructuur. Via het LSP, dat al sinds 2008 functioneert en sinds 2012 in private handen is, kan maar een beperkt aantal soorten zorgdata verzonden worden. Los daarvan bestaat  er niet één uniform PGO. Er bestaan meer dan 20, die wel via MedMIj-standaarden gevuld kunnen worden maar verschillen in functionaliteit.

Onzinnige gedachte

Het rapport blijkt mede gebaseerd op een dialoogbijeenkomst Ruimte voor de Zorgprofessional bij de SER op 27 maart 2019. In dat deel opperen deelnemers twee maal de wenselijkheid van een gecentraliseerd EPD. De gedachte aan één uniform EPD is al wereldvreemd. Dat ook nog centraal willen inrichten is nog meer bizar. Centraal opgezette databases zijn uitermate kwetsbaar, zowel ten aanzien van functioneren als ten aanzien van bedreigingen van buiten. Decentrale opzet voorkomt een one-point-of-failure. De huidige gedachten over dataopslag gaan in het algemeen niet uit van centrale opslag maar juist decentrale. Het gaat ook in tegen streven van VWS naar opslag bij de bron en het van daaruit delen van die informatie.

De gedachtegang die de SER formuleert over de digitale toekomst van de zorg vind ik ronduit ondoordacht en onvoldragen.

W.J. Jongejan, 24 juni 2020.

Afbeelding van Andrew Martin via Pixabay

 

 




Hoe een kritische, door VWS doodgeknuffelde, beweging zich in coronatijd reanimeert

kritischeOp 6 januari 2020 publiceerde ik op deze website een artikel over hoe een kritische beweging in de zorg, Het Roer Moet OM(HRMO), vakkundig door het ministerie van VWS doodgeknuffeld werd. Ontstaan in 2015 door gedreven zorgverleners die zich verzetten tegen overmatige regelgeving en verantwoordingsregels kreeg HRMO veel bijval. De Vereniging van Artsen Automobilisten(VvAA) omarmde de beweging. (Ont)RegelDeZorg(ORDZ) ontstond zo bij VvAA en kende een aantal zeer bewogen sessies met voorstellen om te schrappen in regelgeving en cijfermatige verantwoording. Het ging mis toen tijdens de kabinetsformatie (Ont)RegelDeZorg de partijen overeen kwamen dat het ministerie van VWS ORDZ ging omarmen en onderdeel van beleid maken. Na een eerste poging met een regiegroep kwamen er twee betaalde adviseurs, oud-politica Rita Verdonk en nogal controversieel Gerlach Cerfontain, nota bene de voorzitter van de vereniging VvAA. Daarna kabbelt ORDZ voort. Zo pakte men een beweging, HRMO, in, die nu zich re-animeert.          

Nieuw initiatief

Met een tweet op zondag 7 juni 2020 trapt huisarts Bart Meijman als representant van HRMO een oproep af aan de volksvertegenwoordigers van de Tweede en Eerste Kamer: “Gooi het roer nu om in de zorg”.  In de oproep schrijft HRMO dat de coronacrisis laat zien hoe afhankelijk onze gezondheidszorg is van voldoende menskracht – artsen, verpleegkundigen en verzorgenden-, van samenwerking en niet op de laatste plaats van een centrale regie. Drie elementen die van cruciaal belang zijn voor de zorg. HRMO roept op tot minder marktwerking, minder onnodige zorg en vooral minder bureaucratie. Dat dit kan, bleek volgens HRMO overduidelijk bij het beheersen van deze crisis. Zij willen, als zorgverleners, graag met de Kamerleden een rondetafelgesprek voeren zodat die direct van de werkvloer horen welke problemen nu opgelost moeten en ook kunnen worden.

De oproep is te zien als een revival van de HRMO-beweging met de coronacrisis als handvat.

 Administratieve lasten omlaag

Het is niet vreemd dat de initiatiefnemers van HRMO opnieuw aandacht vragen. De zorg heeft laten zien dat in de coronacrisis door de professionaliteit van de werkers veel mogelijk blijkt te zijn zonder extreme regelgeving en registratiedruk. Over de administratieve lasten zegt HRMO dat die in de directe patiëntenzorg terug moet naar maximaal 20 procent van de werktijd. Voor de coronacrisis namen die lasten 40 procent van de werktijd in beslag. In de eerste plaats houdt HRMO in de nieuwe oproep een pleidooi voor meer centrale sturing op hoofdpunten, voor herwaardering van de beloning van verpleegkundigen en verzorgenden, voor het voorkomen van uitstroom van werkers door erkenning van hun professionaliteit. Ook spreekt men zich uit voor meer preventieve maatregelen, voor grenzen aangeven t.a.v. overbehandeling en medicalisering. Daarnaast wil men een duidelijke standpuntbepaling van de overheid over de beschikbaarheid van noodzakelijke gezondheidsvoorzieningen, zowel regionaal als bovenregionaal.

ORDZ kabbelt voort

De ooit zo felle en enthousiaste ORDZ-beweging onder de VvAA is verworden tot een voortkabbelend stroompje onder VWS. Op de website van ORDZ maakt men regelmatig melding van wapenfeiten, maar die stellen op de keper beschouwd meestal niet veel voor. In ieder geval merkt men er in het veld weinig van. Soms zijn er onderwerpen waarbij je je afvraagt of men wel door heeft wat men opschrijft. Zo hield Rita Verdonk zich bezig met een convenant over het stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg. In dat convenant tussen VNG, VWS, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) sprak men af dat er geen verplichting tot vermijdbaar tijdschrijven meer wordt opgenomen. Iets wat vermijdbaar is moet je sowieso niet doen. Zo er een verplichting zou bestaan om iets vermijdbaars te doen is dat al heel apart. Dat je zo’n verplichting zou moeten afschaffen is een open deur.

Meer open deuren

VWS trap op de ORDZ-website meer openstaande deuren over. Zo vindt je een melding van 11 maart 2020 over het afschaffen van misverstanden in de huisartspraktijken, nl. het op verzoek van patiënten afgeven van medische verklaringen. Daar haalt men dan verklaringen aan de gemeente, van dieetverklaringen aan de belastingdienst en fitheidstest-verklaringen voor het ministerie van Defensie bij. Hiervan een ORDZ-wapenfeit maken gaat te ver.  Het is namelijk al jaar en dag staand beleid dat een huisarts geen verklaringen over eigen patiënten op hun verzoek mag afgeven. Alleen achteraf is een gerichte vraag van een instantie met toestemming van de patiënt toegestaan.

Reanimatie

Het is te betreuren dat werkers uit de zorg opnieuw aandacht moeten vragen voor zaken die eigenlijk vanzelfsprekend zouden moeten zijn. Het op last en met hulp van VWS willen beperken van regelgeving en regeldruk is in essentie een contradictio in terminis. Het maakte een kritische beweging monddood. Nu, na de piek van de coronacrisis, roert HRMO zich als kritische beweging terecht opnieuw. Ze moet eigenlijk zichzelf reanimeren om onder het verstikkende juk van VWS uit te komen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat men nu een beroep doet op de leden van de Staten Generaal in plaats van het kabinet.

Te hopen is dat de beweging niet weer ergens in het traject slinks ingepakt wordt.

W.J. Jongejan, 12 juni 2020

Afbeelding van Paul Brennan via Pixabay




Track-and-trace corona app in VK weer vertraagd. Wel start gewoon contactonderzoek

track-and-traceIn de afgelopen 24 uur werd in het Verenigd Koninkrijk(VK) pijnlijk duidelijk de met veel bombarie aangekondigde track-and-trace app om de coronacrisis te beteugelen weer vertraging oploopt. Een onderminister van het ministerie van volksgezondheid, lord Bethel, liet dinsdag weten, dat de eerder voor 15 mei aangekondigde app zeker niet voor 1 juni beschikbaar zou komen. Het lijkt erop dat de ontwikkeling van een veilige en goed werkende app, die men nu op het eiland Wight uittest, veel ingewikkelder is dan men aanvankelijk dacht. Nu kondigt men aan dat het bron-en contactonderzoek eerst op grote schaal geïntensiveerd wordt en dat een eventuele track-and-trace-app, er achter aan komt. Als die al komt. Lord Bethell voert ook als argument aan dat het grote publiek liever in eerste instantie gewoon menselijk contact wil bij bron- en contactonderzoek. Wat we in het VK zien gebeuren vertoont veel gelijkenis wat in ons land gebeurt bij contactopsporing.

Overeenkomsten en verschillen

We zien dat zowel in het VK als in Nederland dat dat de regering inzet op een track-and-trace-app met gebruik van bluetooth-technologie voor de beteugeling van de coronacrisis. Terwijl in het VK de regering in eerste instantie gekozen heeft voor een gecentraliseerde opslag van contactgegevens, wil onze regering gebruik maken van de decentrale oplossing die Apple en Google zeggen te ontwikkelen. Het VK maakt het zich zelf weer moeilijk door te zeggen dat men overschakelt op genoemde decentrale oplossing als die beter zou werken. Nederland heeft daarnaast een volkomen mislukte appathon van het ministerie van VWS achter de kiezen.

Slecht nieuws brengen

Overheden communiceren niet graag dat dingen slecht lopen of (dreigen te) mislukken. In Nederland zagen we tijdens persconferenties na de mislukte appathon dat minister de Jonge van VWS het opeens niet meer had over een app, maar over een digitale oplossing. In het VK zie je noch Boris Johnson als premier, noch Matt Hancock als minister van volksgezondheid het negatieve nieuws brengen richting de media, maar een onderminister, Lord Bethell. Uit de opmerkingen die hij maakte bij het uitstel blijkt dat ook in regeringskringen het besef doorgedrongen is dat het grote publiek een track-and-trace-app met gecentraliseerde opslag veel minder waardeert dan menselijk contact bij bron-en contactonderzoek.

Misplaatst optimisme

In een eerder artikel wees ik al op forse beperkingen van de bluetooth-techniek bij de track-and-trace app. Bij een Nederlandse start-up, Crownstone die veel gebruikt maakt van bluetooth deed men onderzoek naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van het gebruik van bluetooth als basis voor contactonderzoek. Zij noemen het de “nabijheids-detectie”.  Men komt tot de klip-en-klare conclusie:

 “There is very little reason to assume that this is the right technology for the job. There can be many ways in which technology helps in this crisis though. Let us all be creative and find those ways!”

Rekenwerk

Met enkele rekenvoorbeelden is al aan te geven dat de bluetooth-app inferieur is aan het handmatige bron-en contact-onderzoek. De basis van de gedachte dat een track-and-trace-app zinvol kan bijdragen aan de coronabestrijding ligt in een publicatie uit Oxford dat bij  gebruik door 60% van de bevolking de app zinvol zou zijn. De omstandigheden waarvan men in de modelberekeningen uitging zijn niet klakkeloos te passen op de huidige situatie in het VK en zeker niet in Nederland en zijn inmiddels ook totaal anders dan de uitgangspunten bij deze studie. Zelfs als de bluetooth-techniek perfect zou werken zou bij 60% adoptie slechte 36 % (0,6 x 0,6 x 100 procent) van een contacten van een coronalijder opgespoord worden. Uiteraard werkt de bluetooth-techniek niet overal even goed. Nemen we aan dat die voor 70 % correct zou werken. Dan is het percentage zinvolle contact-opsporing: (0,6×0,7)(0,6×0,7) x 100%=net geen 18%. Bedroevend weinig.

Geen azijnpisser

De CEO van de startup Crownstone, Anne van Rossum, laat op LinkedIn, uit zich in niet mis te verstane bewoordingen over de beoogde track-and-trace-apps met bluetooth. Hij laat weten dat het oneens zijn met de zo’n app niet gezien moet worden als een daad van een azijnpisser. En dat een positieve grondhouding tegenover deze app zoals zowel de Britse overheid als de onze heeft en van de haar burgers verwacht van de app geen wondermiddel maken.

Bij kritische beschouwing stelt de corona track-and-trace-app niets substantieels voor en is het een speeltje van de autoriteiten.

W.J. Jongejan, 22 mei 2020

Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay